Drive-thru Museum

Door Sya van 't Vlie


Boijmans en Ahoy slaan de handen ineen

Midden in de hittegolf ging ik met een vriendin naar het Drive-thru Museum. Een primeur: vanuit de auto kunst kijken. Museum Boijmans van Beuningen en Ahoy hebben van de nood een deugd gemaakt. Boijmans is gesloten vanwege een renovatie en Ahoy heeft vanwege het Coronavirus alle geplande evenementen moeten schrappen. Samen kwamen ze op het lumineuze idee van het Drive-thru Museum. Als thema voor de tentoonstelling kozen de makers voor ‘Natuur vs Cultuur’, dat is ingegeven door de Coronatijd waarin we momenteel leven. ‘Zo nietig en klein als dit virus is, zo groot is de verwarring die het veroorzaakt.’
Met 5 km per uur rijden bezoekers, veilig in een schoongeveegde elektrische mini, beschikbaar gesteld door Breeman BMW & MINI, langs zo’n vijftig kunstwerken. Schilderijen, beelden, ruimtelijke objecten, installaties, en (video)films. Wat voor effect heeft de ongebruikelijke locatie op de kunstwerken? Wat voor effect heeft het vanuit de auto naar kunst kijken op de ervaring van de kunstwerken? Niets is zoals gewoonlijk, fotograferen moet ik door het open zijraam of door de voorruit, zodat mijn foto’s of scheef of vaag zijn.

Eerste indrukken

Voorzichtig rijden we naar binnen. Pijl (2005) van John Körmeling wijst de weg. Aan het eind van ‘inrit’ missen we De Mandril (1926) van Oskar Kokoschka. Maar terugrijden kan niet meer. Binnen wacht een ‘wow’ schouwspel. Recht voor ons een enorm doek dat ik niet ken, we rijden erheen, we passeren rechts een installatie en de film Springtime (2010-11) van performancekunstenaar Jeroen Eisinga die langzaam verdwijnt onder een dikke ‘jas’ van bijen. Omdat de muur waarvoor hij zich bevindt ook bedekt is met bijen, gaat hij, eenmaal bedolven, als het ware in die muur op. Waarom doet hij zichzelf dit aan? Wat wil hij bewijzen?
Daarna volgen drie heuse Anselm Kiefers aan de muur. Ze lijken licht te geven in de pikzwarte hal. Zeer ‘on-Kieferiaans’! Kiefer staat bekend om zijn enorme materieschilderijen in aardse kleuren. Met zijn doeken die hij bedekt met dikke verf, zand (vaak doordrenkt met bloed), teer, stro, hout, ijzer en lood, toont hij de barbaarse kant van het Duitse verleden. Zware kost. Wohin wir uns wenden im Gewitter der Rosen ist die Nacht mit Dornen erhellt (1998) is zo’n materieschilderij. De museuminformatie van internet vermeldt alleen wie de bruikleengever is. Belangrijk voor het museum, maar niet erg boeiend voor de gemiddelde tentoonstellingsbezoeker. Het schilderij komt in deze context niet tot zijn recht. Als kijker wil je Kiefers doeken rustig bekijken, staand vooruit en achteruit lopend, alle details in je opnemend. Wohin oogt klein in de enorme hal, terwijl het juist door zijn afmetingen moet overweldigen.

We komen tot stilstand voor het grote doek dat ons bij het binnenrijden al opviel: D’red Dwarf, B’lack Hole (2010) van Jim Shaw. Anders dan de Kiefer doet dit doek het geweldig. Het hangt dwars in de ruimte en dwingt ons bijna tot stilstaan. Over een bestaand landschap op een theaterdoek heeft Shaw roze stammen van woekerende 'banyanbomen' geschilderd. De sfeer is een beetje eng. Links tussen de stammen staat een piramide met een alziend oog, en rechts slingert een octopus tussen de stammen. Dit zijn symbolen van het Oïsme, een door Shaw zelf bedachte religie.

Links eist een fel kleurige animatiefilm onze aandacht op. De wereld die Trenton Doyle Hancock heeft gecreëerd is heel anders van sfeer dan die van Shaw. De wereld van de Mounds is een absurde wereld. De Mounds zijn zachtaardige plantachtige wezens. Hancock vertelt hun verhaal in schilderijen, sculpturen, tekeningen en video’s. In de animatie Color Crop worden de hoofdrollen gespeeld door Torpedo Boy, het alter ego van Hancock, dat hij al op 10-jarige leeftijd in het leven riep, en Mound #1 The Legend. Torpedo Boy is een superheld die de Mounds verdedigt tegen hun vijanden de Vegans, die tofu eten en als ze kans krijgen Mound bloed vergieten. Uiteraard doorloopt het verhaal langs de lijn conflict, strijd, en overwinning. Op deze manier probeert Hancock ons op komische wijze te doordringen van het onrecht in de wereld, en de noodzaak om ons daartegen te verzetten. Mound #1 The Legend bestaat ook als een enorme sculptuur, in het binnenste waarvan de bezoekers Color Crop kunnen bekijken.

We rijden door en zien rechts achter vier foto’s van peuters. Helena van der Kraan heeft ze in 1993 gefotografeerd voor het project ‘Kinderen van Hoofddorp’. Ze zijn geprint op polyester doek en hebben jarenlang in Hoofddorp aan een flatgebouw gehangen. Enigszins verweerd, maar daarom ogen deze Pioniers niet minder schattig met hun rode lipjes. Verlegen, maar toch nieuwsgierig kijken ze ons aan als we langs rijden.

Podium met sculpturen

Hoe nu verder? Rechtdoor of afbuigen naar links? Aangetrokken door een podium met beelden kiezen we voor het laatste. Op het podium staat een bont gezelschap, waarin klassieke naakten en wat meer experimentele figuren elkaar afwisselen. Uitgelicht door de koplampen van de auto’s ogen ze theatraler dan in een museumzaal of beeldentuin.
Ik laat de bevallige dames voor wat ze zijn. Maar over de overige figuren en sculpturen valt veel boeiends te vertellen.

In de traditie van Dada, Fluxus en Pop confronteert Martin Kippenberger zijn publiek graag met oneerbiedige anti-kunst. Ohne Titel (1993-94) is een van zijn drie Santa Claus sculpturen. De ene helft is beschilderd in metaalgrijs, de andere in de gebruikelijke kleuren rood, wit en zwart. Onder zijn kerstmuts heeft hij een lantaarn, met brandend lampje, als hoofd. Hiermee duidt Kippenberger op de prostituering van Santa Claus, die zich laat misbruiken door/voor de commercie. Maar er is meer, zijn houding heeft veel weg van een hakenkruis. Zo wil Kippenberger afrekenen met de taboes rond het Duitse oorlogsverleden.

Met Sander Breure en Witte van Hulzen maakte ik kennis op de Rijksakademie OPEN van 2017. Behalve beeldhouwers zijn ze ook performers. Dat verklaart dat ze houden van theaterachtige, interactieve ensceneringen van figuren met schetsmatige lichamen en tot in detail gemodelleerde hoofden. Het gaat het duo om de expressie van lichaamshoudingen, gebaren en gezichtsuitdrukkingen. Dat geldt ook voor Rosa (2018). Haar lichaam, met drie benen, is een grove drager van haar uitgewerkte gezicht, fijn met hoog opgebonden krullend haar. Ze kijkt uitdagend en lijkt zich te tonen als een mannequin in een show.

Sylvie Zijlmans en Hewald Jongenelis zijn multimediale installatiemakers die bij hun happeningachtige films ook graag de bewoners uit de buurt waar ze filmen, betrekken. De Gedoger (2012) maakte deel uit van zo’n installatie. Met zijn wapperende blonde haar verwijst hij naar het kabinet Rutte I, een minderheidskabinet dat in de Tweede Kamer gedoogsteun kreeg van de rechts populistische PVV van Geert Wilders. De Gedoger laat het aan anderen over de verantwoordelijkheid op zich te nemen, hij verbergt zijn ware identiteit achter zijn rug en heeft meerdere neuzen.

Naast de Gedoger staat op de grond een elegante transparante koffer met daarin een gouden Uzi. Ted Noten is bekend geworden met zijn ‘gun bags’, echte vergulde geweren inclusief geluidsdemper, opgeborgen in een transparant blok acrylaat in de vorm van een elegante tas van een bekend modehuis, eveneens met verguld handvat. Het wapen van agressie is door Noten onklaar gemaakt met een aantrekkelijke verpakking. Uzi Mon Amour (2009) bestaat uit een serie van vijf; elke Uzi is door Noten ingegraveerd met een Japanse haiku, een drie-regelig gedicht, waarvan de eerste regel 5, de tweede regel 7 en de derde regel weer 5 lettergrepen telt.

In 1947 volgde Vincent Pieter Semeyn (Piet) Esser Jan Bronner op als hoogleraar aan de Rijksakademie. Tot 1979 leidde hij daar veel beeldhouwers op, onder wie Jan Wolkers. In 1954 stuurde Esser een ontwerp in voor het monument ter herdenking aan de gevallen marinemannen tijdens de watersnood in 1953. Het werd afgewezen omdat het niet heroïsch genoeg was. Esser zag hun heldendom in de manier waarop ze elkaar bijstonden, niet in militaire bravoure. Hij maakte een innig en ontroerend beeld van twee drenkelingen, die leunend op elkaar aan wal strompelen. Essers Monument voor de watersnood in Zeeland (1957) kreeg een plek in de tuin van Museum Boijmans

De Venus Victrix (1916) van Auguste Renoir lijkt zich te verbazen over Windtable (1968) van Marinus Boezem. Over een tafel hangt een lang en luchtig wit tafelkleed. In de donkere ruimte is de tafel niet zichtbaar zodat het kleed lijkt te zweven, vooral omdat het in beweging wordt gebracht door de ‘wind’ van de ventilator.

Operation (2007) van Atelier Van Lieshout oogt met zijn liefelijke oranje roze kleur als een levensreddende operatie. Maar Van Lieshout kennende ligt het waarschijnlijk anders. Operation maakte deel uit van ‘Infernopolis’ (2010) in de Rotterdamse onderzeebootloods. Dat doet vermoeden dat de chirurg in het kader van het ‘Cradle to Cradle’ principe zojuist de ingewanden en organen van zijn patiënt heeft verwijderd voor hergebruik, denk aan orgaantransplantatie, vleesverwerking of zelfs energiewinning.

Iconische (video)films

Ik ben aangenaam verrast door het aantal iconische videofilms. Begin jaren '60 werden fotografie en film onder andere gebruikt om performances vast te leggen. Soms maakten ze zelfs deel uit van die performances. Daarom werden ze tot de sculptuur gerekend. Maar rond 1970 begonnen kunstenaars de mogelijkheden van de toen ‘nieuwe media’ te onderzoeken. Fotografie en film werden autonome kunstdisciplines. Fotografische en filmische beelden halen de grenzen tussen verleden, heden en toekomst neer. Maar tussen beide disciplines bestaat wel een belangrijk verschil. Een foto is een opname van een moment, als het ware een 'bevroren moment', terwijl het in de (video)film gaat om beweging en continuïteit.

In Amerika

Op een van de schermen zijn achtereenvolgens Thighing (Blue) (1967) van Bruce Nauman, en Hand Catching Lead (1968) van Richard Serra, en Blindfolded Catching (1970) van Vito Acconci te zien.

Aanvankelijk maakte Nauman filmregistraties van zijn privé performances, zelfopgelegde taken die hij veelal uitvoerde in zijn studio. Zo stelt hij de vraag wat kunst nu eigenlijk is. Zijn antwoord: alles wat een kunstenaar doet in zijn atelier is kunst. Eerst waren de filmpjes kort, later duurden ze langer. Ze maken de kijker deelgenoot van zijn onvermogen de activiteit vol te houden en van de stress die daarvan het gevolg is. In Thighing (Blue), een woordspeling van ‘thigh’ (dijbeen) en ‘sighing’ (zuchtend), zien we een close-up van Naumans handen die aan zijn dijbeen trekken, het kneden en samendrukken, terwijl de kijkers hem horen ademhalen. In deze film gebruikt Nauman zijn lichaam als materiaal. Hij kneedt zich zelf tot kunst, alsof hij klei is. Hij is kunstenaar en materiaal tegelijk.

Verwant aan de filmregistraties van Naumans aan zichzelf opgelegde taken is de drie minuten durende film Hand Catching Lead van Richard Serra. Het beeld wordt gevuld door Serra's rechterhand die telkens een naar beneden vallend ruw stukje lood probeert te vangen. De stukjes vallen in een strak tempo. Soms lukt het Serra en knijpt hij zijn vuist dicht rond het stukje dat hij vervolgens snel laat vallen, zodat hij op tijd is voor het volgende stukje. Soms mist hij en valt het stukje verder naar beneden. Het gaat in deze film om herhaling, dwingend tempo, en concentratie. Met meedogenloze volharding wordt dezelfde handeling keer op keer op keer op keer herhaald; een climax ontbreekt. Net als Nauman bant Serra het narratieve uit.
De werkwoorden ‘to drop’ en ‘to grasp’ vormen samen het dubbele beeld voor Hand Catching Lead. Ze houden als het ware een uit te voeren opdracht in die vergelijkbaar is met de taken die Nauman zichzelf oplegt.

De derde videofilm is van Vito Acconci. Blindfolded Catching is de eerste van de in 1970 opgenomen ‘Three Adaptation Studies’ (Drie onderzoeken naar het aanpassen). De andere twee zijn: Soap and Eyes en Hand and Mouth. In alle drie toont Acconci een kinderlijke kwetsbaarheid die tegelijk komisch een aandoenlijk is. In Blindfolded Catching staat Acconci geblinddoekt in een ruimte. Iemand buiten beeld gooit rubberen ballen naar hem. Uit de titel maakte ik op dat Acconci ze probeert op te vangen. Maar hij probeert juist uit alle macht niet geraakt te worden. Radend waar de ballen heengaan aarzelt hij naar links of naar rechts uit te wijken, soms duikt hij weg of buigt hij voorover. Vergeefs, want zijn lichaam vangt ze toch. In Soap and Eyes probeert hij zijn ogen open te houden na een bakje met zeepsop in zijn gezicht te hebben gegooid. Dat resulteert in een clownesk hoofd met knipperende prikogen. In Hand and Mouth duwt hij telkens zijn vuist in zijn mond tot hij moet kokhalzen. Hoewel alleen Blindfolded Catching te zien is, vormt de serie een geheel. Want Acconci stelt achtereenvolgens zijn tastzin, gezichtsvermogen en smaak bloot aan handelingen die ongemakkelijk en irritant zijn. In Blindfolded Catching moet hij zich zelfs verdedigen tegen een vijand die hij niet kan zien.

Om het privé karakter te benadrukken presenteerden Nauman, Serra en Acconci hun videoperformances op kleine monitoren. Des te verrassender was het om vanuit de intimiteit van onze mini te kunnen constateren dat ze op een groot scherm niets van hun intensiteit en indringendheid hebben verloren. Jammer genoeg heb ik van Nauman geen foto's op locatie kunnen maken. Maar stelt u zich voor dat pijnlijk geknede been op het grote scherm te zien.

In Nederland

Ook in Nederland werden performance en happening vastgelegd, op zowel foto als film. Aanvankelijk gebruikten kunstenaars de beeldentaal van de toen ‘nieuwe media’ als een vorm van pop art die gericht was tegen de tendens naar abstractie. De vastgelegde performances hebben dan ook een hoog happening gehalte. Dat gaat zeker op voor de in scene gezette valpartijen van Bas Jan Ader.

Fall 1, Los Angeles (1970) is de eerste. Ader zit op een stoel op het dak van zijn huis in Californische Claremont. Hij valt en rolt met stoel en al van het dak. Zijn schoen schiet los. De stoel valt naar links en blijft op het dak liggen. Ader belandt in het struikgewas voor het huis, uit het zicht van de kijker.

Op Broken Fall (organic) (1971) is te zien hoe Ader in het Amsterdamse Bos uit een boom valt. Ader hangt aan een boomtak, en paar meter boven een slootje. Hij zwaait, verplaatst zijn handen, spreidt zijn benen, hangt even stil, zwaait weer, trapt met zijn benen, en dan laat zijn kracht hem in de steek en moet hij de tak loslaten, waarna hij in het slootje terecht komt, vlak bij de waterkant.
Kijk wat een boeiend effect de weerspiegeling in de autoruit oplevert.

In Fall 2 (1971) zien we hoe Ader vanuit een zijstraat de Amsterdamse Reguliersgracht op komt fietsen. De camera legt het gebeuren vast vanaf de overkant van de gracht. Het sturen wordt bemoeilijkt omdat Ader in één hand een bosje bloemen vasthoudt. Hij neemt de bocht dan ook te ruim en valt met fiets en al in de gracht.

Ook hier geldt dat de absurditeit van de valpartijen op standaard videoformaat op het grote scherm wordt uitvergroot tot tragikomische proporties. Dat maakt de vragen die ze oproepen des te indringender. Staat het vallen voor mislukking (to fall is to fail)? Of staat het zich laten vallen voor overgave aan de zwaartekracht? Of tart Ader het noodlot? Immers alle drie de valpartijen zijn niet zonder risico.

Hoe past het eerder genoemde Springtime van Jeroen Eisinga in dit verhaal? Ik zie hem als een erfgenaam van Vito Acconci. Eisinga laat zich niet bekogelen door rubberen ballen, maar stelt zich wel bloot aan de bijen. Als de film begint zit Eisinga, in zijn 'jas' van bijen achter een tafel. Voor de gelegenheid heeft hij zijn hoofd kaal laten scheren. Met zijn rechterarm leunt hij op de tafel. Alsof hij nadenkt over wat hij zal opschrijven. Zijn gezicht en delen van zijn armen zijn nog bloot. Hij kijkt de kijkers aan, terwijl de jas steeds dichter om hem heen sluit, trillend van de op neer bewegende vleugeltjes. De laatste blote plekken raken bedekt. Hij sluit zijn ogen. Stel je voor dat er een bij in zijn neus kruipt. Dertig keer wordt hij gestoken. Het lijkt hem niet te deren. Als kijker sta je erbij, of in dit geval zit je in je auto, en kijk je ernaar. Je machteloos afvragend: Waarom? Heeft hij het nodig om fysiek en mentaal tot het uiterste te gaan om te ervaren dat hij leeft? Dat klinkt toch meer naar Bas Jan Ader.
En wat te denken van Number Eight. Everything is going to be allright, Finland 2007 Guiido van der Werve, dat elders in de hal te zien is? Een kleine man, Van der Werve zelf, loopt over een oneindige ijsvlakte. Ogenschijnlijk rustig hoewel hij wordt achtervolgd door een enorme ijsbreker die het ijs voor de boeg opstuwt. Toch lukt het de ijsbreker niet om de nietige man in te halen. Ondanks de beweging is het alsof het beeld stilstaat als op een foto. Maar als kijker besef je maar al te goed dat de ijsvlakte vóór de kunstenaar elk moment kan opensplijten ‘om hem genadeloos te verzwelgen’. Aldus Hans den Hartog Jager in de catalogus van zijn expositie ‘Vrijheid’ bij de Fundatie (2019). Niet vreemd dus dat Den Hartog Jager Van der Werve vergelijkt met Bas Jan Ader, die niet terugkeerde van zijn solo zeiltocht over de Atlantische Oceaan, die had moeten leiden tot een documentaire fotoreeks van die oversteek: In search of the miraculous.

Installaties

Na te hebben genoten van de videofilms bevinden we ons een groot cirkelvormig panorama. We zijn beland in een enorme Toren van Babel. Dit Model for a Tower bestaat uit grote doeken met close-up’s uit het schilderij van Pieter Bruegel de Oude dat dateert uit circa 1560. Wie heeft zich hieraan gewaagd? En waarom?

Bruegel focuste niet zozeer op het Bijbelverhaal waarin God de hoogmoed van de mens afstraft met de Babylonische spraakverwarring, maar op het bouwen van de toren. Bas Princen maakte dit grote model in 2019 voor een openluchttentoonstelling in Dilbeek (België), samen met architectenbureau OFFICE Kersten Geers David van Severen. De organisatoren hadden specifiek gevraagd om een werk dat was geïnspireerd door een schilderij van Bruegel. Als inwoner van Rotterdam koos Princen voor een schilderij dat hij goed kende, de Toren van Babel uit de collectie van Boijmans. Hij plaatste zijn detailopnames terug in de natuur, waar ook Bruegel zijn toren had gesitueerd.

Princen is opgeleid als ontwerper en architect. Als fotograaf richt hij zich op de veranderingsprocessen van het stedelijke landschap. In Ahoy zien we hoe Princen heeft ingezoemd op allerlei details uit Bruegels toren: de kleurverschillen tussen de verschillende bouwlagen (de onderste zijn al een beetje verweerd), de haven waar boten bouwmaterialen aanvoeren, de hijskranen die ze vervolgens omhoog takelen, de bedrijvige mensfiguurtjes, een processie, het vlakke landschap, de wolken, waar de toren al bovenuit steekt, en dergelijke. Een lust voor het oog. Al die details had ik op Bruegels toren nog nooit zo duidelijk gezien.

Nu hebben we ook beter zicht op de installatie die we bij het binnenrijden passeerden. De Rotterdamse kunstenaar Frank Bruggeman bouwde zijn Essential Plantscape op locatie op. De term ‘plantscape’ gebruikt hij heel toepasselijk voor installaties die groter zijn dan plantenbakken, maar te klein om voor ‘land art’ te gaan. In de ‘plantscape’ heeft hij takken en planten opgenomen die al langere tijd dood zijn, afkomstig uit zijn eigen botanische archief. Aangevuld met bomen en struiken uit het publieke domein, die tijdens de lockdown zijn gestorven omdat de groenbedrijven ze niet de nodige zorg konden geven. Ze hebben hun sublieme kleur verloren; wat resteert is hun ‘essentiële schoonheid, bestaand uit vorm en textuur’.

Verder staan in de ‘plantscape’ twee van Bruggemans Shard Vases (2018), cylindrische metalen vazen, waaraan hij scherven van keramieken vazen heeft bevestigd. De eerste ontstond nadat een door hem gekochte Mobach vaas in scherven bij hem aankwam. Met die scherven maakte hij een nieuwe vaas die veel kwetsbaarder oogde dan de ‘donorvaas’, maar die tegelijkertijd een boodschap afgaf: raak me niet aan, want ik kan je ernstig verwonden. Die onaanraakbaarheid vindt Bruggeman ook passen in deze Coronatijd waarin we niet mogen knuffelen of handen schudden. We zijn allemaal onaanraakbaar geworden. Hij heeft de vazen genoemd naar vrouwelijke familieleden die de afgelopen tijd zijn overleden. Zo geven de scherven ook uitdrukking aan het verdriet over het verlies van dierbaren.

Compleet anders is Bunkhouse (1996, en niet 2008) van Paul McCarthy, waar we bij onze tweede rondgang langs gaan. Wat zou zich afspelen in de knalrode hut achter het groene houten hek? Volgens de website van museum Boijmans van Beuningen refereert Bunkhouse naar de houten hut die door jonge cowboys werd gebruikt om te overnachten in het hoogseizoen in Amerika. Ze vertellen er niet bij dat dat gebruik uit meer bestond dan overnachten. Daar wordt als volgt naar gehint: ‘Het is het cliché macho idee van de cowboy dat McCarthy met dit provocatieve, maar ook humoristische tafereel aan de orde stelt. Zijn werk is vaak antagonistisch, seksueel expliciet en politiek geladen.’ Dat roept de voyeur in ons wakker. Als we even stilstaan vangen we een glimp op van een vrouw met cowboylaarzen die op haar knieën een cowboy met hondenkop pijpt. Door het raam is iets van een stapelbed zichtbaar met op het bovenste bed het hoofd van een man. McCarthy begon als performer maar sinds 1985 legt hij zich toe op shockerende installaties met gemechaniseerde poppen die zijn verwikkeld in seksuele handelingen. Hydraulische pompen zorgen er inderdaad voor dat de poppen suggestief bewegen, en de hut schudt mee. Misschien is het maar goed dat we niet mochten uitstappen om naar binnen te kijken. Want op internet stuitte ik op een heel andere interpretatie van wat zich daarbinnen afspeelt: ‘Also oddly effective are a boy and girl who toss and turn in their sleep in the red-orange bunkhouse while a roommate is sexually abused by a dog-headed cowboy.’ Nieuwsgierig geworden, bekijk dan onderstaand YouTube filmpje.

Hangende werken

We rijden verder en ons oog valt op een paar hangende werken. Sommige, zoals Tweevleugel van Panamarenko en Nachtmare van Karin Arink, komen zo hoog niet echt tot hun recht.

Paard (1986) van kunstenaarsechtpaar Helena en Axel van der Kraan valt wel goed op. Het is eigenlijk een ruimtelijke tekening van metaaldraad. Door de lampen binnen wordt hij mooi in kleuren uitgelicht. Vreemd om een paard boven ons te zien.

Dat is anders voor Start a New Art World, Model 1 (2007) van Ad de Jong, dat als een ruimteschip in de hal zweeft. Het is gemaakt van epoxyhars versterkt met fiberglas dat door De Jong is ingekleurd met pigmenten. Licht en kleurig zoekt het de vrijheid van het luchtruim.

Van Bas van Beeks Collectie op Zuid (2019-20) hangt de bovenste helft aan het plafond: een omgekeerde piramide beplakt met behangsels. De onderste helft bestaat uit een enorme stapeling in de vorm van een trappiramide. De stapeling is opgebouwd met zogenaamde aquariumsculpturen. Toen Museum Boijmans van Beuningen voor een langere periode de deuren moest sluiten vanwege de grote renovatie, ging de directie op zoek naar nieuwe manieren om de collectie te tonen en/of toegankelijk te maken. Een van die manieren is het Drive-thru Museum zelf. Een andere is het project Collectie op Zuid van Bas van Beek. Van Beek heeft assemblages gemaakt van meerdere collectiestukken die volgens hem het best tot hun recht komen in het alledaags gebruik, in dit geval in een aquarium tussen de vissen. In de aquaria van de stapeling ontbreken de vissen, maar er staan wel assemblages in. Bijvoorbeeld van de Screwarch (Schroefboog) van Claes Oldenburg in de tuin van het museum, waarvan een witte maquette elders in de hal staat. Jammer dat we niet mogen uitstappen om die aquariumsculpturen van dichtbij te bekijken. Daarvoor zouden we naar dierenspeciaalzaak Petroria in de Afrikaanderbuurt moeten gaan. Daar zijn de aquariumsculpturen exclusief te koop. Leuk dat Van Beek zijn werk introduceert in een deel van de stad waar de kunstwerken die er model voor stonden, vrijwel onbekend zijn. Ook de behangsels waarmee de omgekeerde hangende piramide is bedekt heeft Van Beek gebaseerd op kunstwerken uit de collectie.

Screwarch van Claes Oldenburg is voortgekomen uit een ontwerp voor een nieuwe brug over de Maas. Op uitnodiging van directeur Wim Beeren werkte Oldenburg tussen 1978 en 1982 exclusief voor het museum aan een maquette (te zien in de hal), een ets en een sculptuur naar dit idee. De sculptuur werd voltooid in New York en arriveerde in oktober 1982 per schip in Rotterdam. Screwarch bestaat uit een gebogen, aluminium schroef van circa vier meter hoog en zeven meter lang. Zoals de titel aangeeft is de schroef niet recht maar gebogen. Desondanks blijft hij herkenbaar als schroef. Architecturaal maar speels. Bestemd voor de Bodonzaal besloot het museum uiteindelijk tot plaatsing in de museumtuin. Oldenburg zelf koos voor een plek boven het water om ons eraan te herinneren dat het ooit het plan was om de schroef als brug uit te voeren. Het beeld wordt weerspiegeld in het water waardoor sculptuur en zijn spiegelbeeld samen een cirkel vormen.

Bedreiging en verdediging

Rijdend door de hal passeren we een auto die ons tegemoet lijkt te rijden. Achteraf realiseerden we ons pas dat het The Square Car (2010) van John Körmeling was.

De Mercedes met 57 mm kanon (1998) van Atelier Van Lieshout zien we niet over het hoofd. Het tegendeel is waar. Bij het zien ervan slaat mijn fantasie op hol. Het kanon staat gericht op Van Lieshouts eigen Operation en de sculpturen ernaast. Ik stel me Joep van Lieshout voor, tussen die rondkruipende mini’s vanuit zijn Mercedes alle kunstwerken met het kanon overhoop schietend. Hij laat het niet over aan Ingrid van Engelshoven om de cultuursector om zeep te helpen, maar neemt zelf het heft in handen. Maar zoals eerder gezegd bij Van Lieshout weet je het nooit. Waarschijnlijk heeft hij de Mercedes hier geparkeerd om, indien nodig, het Drive-thru Museum te verdedigen.

Misschien wel tegen de L’Ange du foyer (2019) van Cyprien Gaillard. De huisengel gaat enorm te keer, hij wil wereldwijd dood en verderf zaaien. Gelukkig zit hij vast op zijn paaltje. Met deze holografische sculptuur van een vogelachtige draak wekt Gaillard de L'Ange du foyer/Hausengel tot leven die Max Ernst in 1937 schilderde na het bombardement op Guernica, uitgevoerd door de Duitse Lufwaffe tijdens de de Spaanse Burgeroorlog. Ernsts L'Ange dufoyer/Hausengel is op te vatten als een aanklacht tegen het facisme en een voorbode op wat nog zou komen. Waarschuwt Gaillard met zijn engel – vreemd trouwens om zo’n monsterlijk wezen engel te noemen – tegen een zich herhalen van de geschiedenis?

Onze drie kwartier zit erop. Tijd om te vertrekken door de uitgang die wordt geflankeerd door de twee beren. Samen vormen ze Beer (1997), een film van Marijke van Warmerdam die in een loop wordt getoond op twee schermen aan weerszijden van de uitgang. De beren zien er niet erg bedreigend uit, ze lijken gevangen te zitten tussen de deuropening. De linker krabt met zijn klauwen aan de deurpost, de rechter staat erin als een soort wachter. Dat gevangen zitten wordt bevestigd door de summiere uitleg van Van Warmerdam. Beer is ingegeven door ‘ijsberen’ het vastzitten in je eigen gedachten.

Nadat we de auto buiten op de parkeerplaats hebben teruggezet komt een vriendelijke suppoost/parkeerwachter hem grondig schoonmaken, zodat de volgende bezoeker veilig aan zijn avontuur kan beginnen.

De balans opmaken

Onderweg naar ons lunchadres maken we de balans op. Een hele ervaring, veel gezien, veel oude bekende, maar ook een aantal nieuwe werken, soms overschreeuwd door de context, soms juist verrassend goed overeind gebleven. Ik vind het gedurfd van Museum Boijmans van Beuningen om met topstukken te komen en hun selectie niet aan te passen aan de ‘entertainment show’, die dit experiment in Ahoy onvermijdelijk is. Met het thema ‘Natuur vs Cultuur’ onderzoekt deze tentoonstelling naar zeggen van de tentoonstellingsmakers ‘de grens tussen het menselijke zijn en de krachten van de natuur.’ In de meeste werken is dat thema ver te zoeken. Maar sommige passen er wonderwel in. Ik denk aan de geënsceneerde valpartijen van Bas Jan Ader, en de films van Jeroen Eisinga en Guido van de Werve. En uiteraard de installaties van Frank Bruggeman en Bas van Beek, beide op locatie opgebouwd; Bruggemans ‘plantscape’ is zelfs speciaal voor de tentoonstelling gemaakt, met bomen en struiken die het niet hebben gered tijdens de lockdown.
Wat mij betreft is zo'n expositie op een 'evenementenlocatie', die mogelijkheden biedt die in het museum niet voorhanden zijn, voor herhaling vatbaar.

Ik had me voorgenomen om eens een heel ander stuk te schrijven, meer in overeenstemming met mijn schots en scheve foto’s. Maar de kunsthistoricus in mij wilde toch dingen uitzoeken. Vooral omdat de tentoonstellingsinformatie op de website van het museum nogal summier is. En eenmaal uitgezocht kom ik er niet onderuit die kennis te delen.
De foto van Gaillards L’Ange du foyer is niet op locatie in het Drive-thru Museum genomen, maar door mij gevonden op internet. Ik houd me aanbevolen voor een foto die wel ter plekke is genomen. En voor foto’s van Thighing van Bruce Nauman en Springtime van Jeroen Eisinga.

Bronnen
tentoonstellingsinformatie op website Museum Boijmans van Beuningen
catalogus bij expositie 'Vrijheid' van Hans Den Hartog Jager (curator en auteur) bij Museum De Fundatie
Sya van 't Vlie - Sculptuur en nieuwe media in Amerika
Sya van 't Vlie -Sculptuur en nieuwe media in Nederland
Websites van diverse kunstenaars