Het Vlot

Door Sya van 't Vlie


Kunst is (niet) eenzaam

In Oostende hebben Jan Fabre en co-curator Joanna De Vos in het museum Mu.ZEE, de Venetiaanse Gaanderijen, en andere minder bekende locaties in de stad de expositie ‘Het Vlot. Kunst is (niet) eenzaam’ gemaakt. Wat waren de uitgangspunten en hoe hebben de exposanten die uitgewerkt? Hoe eenzaam, of juist niet, is de kunst op deze expositie?

Eyecatcher

Het meest in het oog springende werk is een reusachtige mensfiguur in de vijver voor de Kursaal.

De in een zwart gewaad met capuchon geklede figuur ligt op de buik in het water. Een drenkeling die het niet heeft gehaald. Een omhoog spartelend been is zijn laatste stuipstrekking. Deze sculptuur is de dramatische tegenhanger van de wulpse dame van Georges Grard die in de vijver aan het begin van de Leopold-II-laan permanent verleidelijk ligt te zijn. Het hoe en wat van de drenkeling wordt pas duidelijk in Mu.ZEE. In een donker zaaltje liggen in een vitrine tekeningen uit de serie Black Mould van Michaël Borremans. We zien in zwarte gewaden geklede figuren met een kap over hun hoofd. Daardoor is onduidelijk of het gaat om mannen of vrouwen, en of ze jong of oud zijn. Ze voeren handelingen uit die doen denken aan inwijdingsrituelen van religieuze sektes, grensoverschrijdende handelingen die rieken naar seksueel misbruik en geweld. Borremans heeft zich laten inspireren door Francisco Goya. Die schilderde een klein meesterwerkje over kannibalisme, volgens Borremans een zeer precieze weergave van de menselijke conditie. We exploiteren de planeet en misbruiken elkaar om zelf te overleven. Als kunstenaar probeert hij de kijkers een spiegel voor te houden. Een tweede vitrine biedt plaats aan een maquette van een van de vrouwelijke sekteleden die als een projectiel op het strand lijkt te zijn neergekomen, onderste boven. Rondom staan een paar piepkleine passanten die deze spectaculaire landing gadeslaan. Dit is een maquette van de reusachtige Rosa waarvoor Borremans een plek op het strand had uitgezocht. Kennelijk heeft hij zich bedacht want Rosa is niemand minder dan de drenkeling in de vijver voor de Kursaal. Een goede beslissing, want hier vormt Rosa de spectaculaire entree niet alleen tot Oostende, maar ook tot ‘Het Vlot’.

Uitgangspunten

In Mu.ZEE zijn de uitgangspunten voor deze expositie te zien: het schilderij Le Radeau de la Méduse (1818-19) van Théodore Géricault (1791-(1824), en Kunst is (niet) eenzaam, het utopische vlot dat Jan Fabre in 1986 maakte om zijn visie op het kunstenaarschap te vervoeren. De scheepsramp met het Franse fregat Méduse had een enorme impact op Géricault. De angst, wanhoop, en overlevingsdrang van de enkele overlevenden op het vlot vereeuwigde hij overtuigend op zijn schilderij. Op vele voorstudies heeft hij houdingen en emoties uitgewerkt. Behalve dit meesterwerk van Géricault heeft Fabre ook gekozen voor zijn eigen Kunst is (niet) eenzaam, dat hij een maquette van een 'denkmodel' noemt. In het persbericht lees ik dat de kunstenaar ‘afzondering en inkeer nodig’ heeft om te kunnen creëren, maar tegelijk ‘drijft het vlot van de kunstenaar op het verlangen naar verbinding en sociaal engagement’. Fabre heeft het dus over de noodzaak voor de kunstenaar om soms wel en soms niet eenzaam te zijn, en niet over de ‘(niet)eenzaamheid’ van kunstwerken. Interessant is dat Fabre zijn vlot heeft uitgebouwd met een gymnasium, atletiekpiste en voetbalveld, plekken waar het gaat om uithoudingsvermogen. In dit kader past ook het lumineuze idee om de aftrap van de expositie te geven op het voetbalveld met een knotsgekke voetbalwedstrijd tussen curatoren en kunstenaars verkleed als historische figuren uit de kunstwereld.
Beide werken bieden de 73 deelnemende kunstenaars veel aspecten om op in te zoomen.

Vluchtelingenproblematiek

Veel kunstenaars brengen het vlot in verband met de vluchtelingenproblematiek.

In de kelders van de Sint-Jozefskerk doet Adrian Paci dat zeer indringend. Op zijn video Centro di Permanenza Temporanea klimt een grote stoet mensen, duidelijk vluchtelingen, een vliegtuigtrap op. Eenmaal bovengekomen blijkt dat het vliegtuig ontbreekt, waardoor ze steeds meer op elkaar worden gedrukt. Zij kunnen geen kant op, terwijl op de achtergrond steeds vliegtuigen opstijgen, vol passagiers op weg naar verre bestemmingen. Of zijn het bommenwerpers? Zo kritiseert Paci het vluchtelingenbeleid. Hij heeft als titel gekozen voor Centro di Permanenza Temporanea omdat dit ook de officiële benaming is voor uitzet- en detentiecentra in Italië. Als ervaringsdeskundige weet Paci, die in 1990 uit Albanië vluchtte, maar al te goed hoe uitzichtloos de situatie van de vluchtelingen is.

Berlinde De Bruyckere gaat wat indirecter in op het vluchtelingenvraagstuk. In een grote nis van de Sint-Pieterstoren, in de volksmond Peperbusse genoemd, heeft ze Het Vlot gehangen. Vanaf de straat is het goed te zien. In haar vlot, een roestig rooster, hangen flarden van huiden en textiel. Binnen leidt een smalle wenteltrap naar de top van de toren. Hier draait een video van Mirjam Devriendt waarop het zouten van huiden te zien is, nodig voor het looien. De huiden worden bewaard op grote roosters. Devriendt maakte de video op verzoek van De Bruyckere. Want een bezoek aan een huidenhandel in Anderlecht had De Bruyckere in 2015 geïnspireerd voor het maken van de decors voor de opera Penthesilea. Penthesilea kwam aan het hoofd van haar amazones de Trojanen te hulp in hun strijd tegen de Grieken. De Bruyckere associeerde de stapels huiden die ze zag bij de huidenhandel met de dood en verderf op het slagveld. Haar decors bestonden dan ook uit wassen stapels huiden. In deze context moeten we Het Vlot van De Bruyckere plaatsen. De schipbreukelingen op haar vlot, op de vlucht om te ontkomen aan de oorlog, kwamen terecht in een storm, die ze niet overleefden. Wat rest zijn slechts de flarden huid die zijn blijven kleven aan het vlot dat miraculeus belandde in de nis van de Peperbusse.

Kannibalisme

Monty Python’s video sketch Lifeboat steekt de draak met de uiterste consequentie van de overlevingsdrang: kannibalisme

Vijf overlevenden in een reddingsboot kibbelen over wie wat van wie mag verorberen: ‘Those who want to can eat Johnson, and you sir, can have my leg’. Tijdens hun discussie komt een dienstertje informeren wat de heren willen eten. Helaas hadden de museummedewerkers het geluid uitgezet, omdat het irritant weergalmde door het gebouw. Pas thuis op internet kon horen hoe hilarisch deze sketch is.

De meest aansprekende video-installatie in het Hippodroom is Molare van Linda Molenaar in stal 46. Molenaar focust ook op het aspect kannibalisme. Midden in de stal staat een rood wiel, dat doet denken aan een grote armband belegd met edelstenen. Bij nadere inspectie blijken de edelstenen menselijke tanden en kiezen te zijn, 1800 stuks, die Molenaar heeft opgehaald bij tandartsen. Aan de wand hangen (tand)wielen met dierlijke tanden. Op de video zien we hoe Molenaar, in een rood pak opgerold in het wiel, zich ‘tandenknarsend’ laat rollen over de Koninklijke Gaanderijen.

Daniele Puppi’s video-installatie Apollonia’s Melody zorgt voor een vrolijke noot in de expositie. We kijken en luisteren naar een klapperend gebit.

Variaties op het vlot

Op bijna alle locaties zijn variaties op het vlot te vinden.

Op de 2e etage van De Grote Post is een video van Sigalit Landau te zien. Haar vlot, Dead Sea, bestaat uit een spiraal van watermeloenen. Een naakte Landau is onderdeel van de spiraal. Het groene vlot drijft op de Dode Zee. De spiraal wordt langzaam afgerold tot Landau ‘bevrijd’ uit de spiraal kan wegdrijven.

Meteen naast de ingang van Venetiaanse Gaanderijen hangt de aquarel Le Radeau de Fortune van tekenaar Fabien Mérelle. Het onderwerp van Mérelles tekeningen is veelal een droomwereld waarin de dieren heersen over de mensen. Op de aquarel dobbert Mérelle zelf rond op een vlot. Als straf (waarvoor?) heeft hij ezelsoren gekregen. Even verder staat de vertaling naar drie dimensies van dit vlot opgesteld. Op het zeil is een kort filmpje te zien dat Mérelle twintig jaar geleden maakte van zijn grootvader. Tijdens een performance zal Mérelle staand op het vlot proberen het bewegende gezicht van zijn grootvader op het zeil te schilderen.

In de Venetiaanse Gaanderijen is er veel aandacht voor registraties op film en foto van body art. Het fascinerends is de videoperformance van Regina José Galindo. Tierra is een ‘herinterpretatie’ van de volkerenmoord in de jaren ’80 door José Efraín Ríos Montt, de voormalige president van Guatemala. Galinda staat naakt op een grasveldje terwijl een bulldozer rondom haar de aarde weg graaft, steeds dichterbij komend en dreigend haar op te scheppen, tot ze uiteindelijk op een heel klein ‘vlotje’ van gras staat. De uitgegraven geulen verwijzen naar de massagraven, uitgegraven door bulldozers, waarin Ríos Montt de dode lichamen van gefolterde en verkrachte mannen en vrouwen liet dumpen. De ex-dictator werd pas in 2013 veroordeeld tot 80 jaar gevangenisstraf, maar het vonnis werd wegens procedurefouten nietig verklaard. Een nieuw proces vond plaats achter gesloten deuren, een gevangenisstraf werd niet zinvol geacht omdat Ríos Montt inmiddels zwaar dement is.

Het meest complexe vlot is dat van Chantal Yzermans in het Hippodroom. In tegenstelling tot Géricault die voor het drama van het vlot slechts kon beschikken over twee dimensies, heeft Yzermans als choreograaf/danser de beschikking over vier dimensies. In haar solo performance baseert ze de volgorde van haar bewegingen op de poses van Géricaults schipbreukelingen. Om hun wanhoop goed over te brengen beperkt ze haar bewegingsruimte tot een nauw hellend platform met een hellingshoek 33 graden. Dit heeft tot gevolg dat haar lichaam voortdurend onderworpen is aan de zwaartekracht, wat het dansen tot een worsteling maakt. Toch slaagt ze erin de bovenkant van het platform te bereiken. Omdat er op Géricaults vlot geen vrouwen voorkomen, heeft Yzermans een mannenpak aan. Van alle kanten wordt haar dans vastgelegd door de filmcamera. Het oppervlak waarop ze beweegt is zo gemaakt dat elke aanraking kortstondig een schaduw achterlaat. Daardoor laat haar fysieke presentie een immaterieel spoor achter. Op de videoregistratie wisselen de verschijning en verdwijning van haar lichaam elkaar ritmisch af, totdat de contouren uiteindelijk opgaan in het vervagende licht.

Filippos Tsitsopoulos tekent voor het miezerigste vlot van de expositie, tevens het vlot met de langste titel: With or without you. El corazón es una viscera aquerosa. Zijn vlot, bestaand uit aan elkaar gelijmde stukken doek beschilderd met olieverf, drijft in de vijver van het Leopoldpark. Het enige leuke is de samenspraak met de context. De vier boven water uitstekende bronzen koppen van Leo Coppens, die de Geschiedenis, de Rechtspraak, de Rechtvaardigheid, en de Welsprekendheid verbeelden, lijken nu op drenkelingen die hun toevlucht zoeken op het vlot.

In de Onze-Lieve-Vrouwe ter-Duinenkerk bevinden zich het kleinste vlotje en het meest relaxte vlot. Manfred Erjautz heeft zijn vlotje Aqua e sole gemaakt van soletti (zoutstengeltjes). Met die materiaalkeuze kritiseert Erjautz onze passiviteit. Knabbelend aan de soletti zitten we voor de televisie te kijken naar de beelden van vluchtelingen.
De videoclip R. van Nástio Mosquito is een van de meest humorvolle bijdragen van de tentoonstelling. Mosquito maakte de clip voor de band DZZZZ. Op de beat van hun muziek zien we een man ronddrijven op een matras, zich uitrekkend en zich omdraaiend in zijn slaap. Rondom de matras drijven spulletjes uit zijn slaapkamer.

In L’Etage d’Euphrosine is in het zwarte s/Titulo (após L’Hussard de T. Géricault) van Pedro Valdez Cardoso onmiddellijk de compositie van Géricaults vlot herkenbaar. Valdez Cardoso heeft zijn vlot geassembleerd uit alledaagse objecten, zoals een jerrycan, ton, plantenpot, en twee scheppen. Zwart gemaakt en als onderdeel van de compositie hebben ze hun functionaliteit verloren. Dat geldt niet voor de laarzen die we associëren met de soldaten die ze hebben gedragen. Huzaren als we afgaan op de titel die verwijst naar een ander schilderij van Géricault. En dat werpt de vraag op of we hier wel naar een vlot met kapot zeil staan te kijken, en niet naar een kapot vaandel op een verlaten slagveld.

Onduidelijk verband

Soms is niet duidelijk wat het verband met het thema is.

Bijvoorbeeld op het Marie-Joséplein, waar het standbeeld van August Beernaert gezelschap heeft gekregen van drie Fake Monuments van Enrique Marty. Het linker stelt een gehurkte Spaanse soldaat voor (zit hij te schijten?), het rechter zijn staande collega met een kippenpootje, en in het midden een vos die verlekkert kijkt naar een haan in een boom. Binnen in Hotel du Parc blijkt er toch een verband te bestaan. Hier hangt een reeks schilderijen van schepen die vergaan in de golven. Ertussen hangt een dubbelportret van twee Spanjaarden die zich te goed doen aan een haantje. De haan is het symbool van Oostende, de vos van Spanje. Net als de nepmonumenten verwijzen Marty’s studies naar het beleg van Oostende. Omdat Oostende ook na 1585, toen de Zuidelijke Nederlanden onder Spaans katholiek gezag kwamen, nog aangesloten bleef bij de Opstand werd de stad van 1601-1604 belegerd. Het beleg kostte tienduizenden mensenlevens. Na de capitulatie moesten de calvinisten zich bekeren; vele Oostendenaren verkozen de wijk te nemen naar protestantse oorden. Een stukje 80-jarige oorlog waarvan ik geen weet had.

Niet in de gemeenteraadszaal van het stadhuis maar voor het hoge raam langs de wenteltrap is The Blind Leading the Blind van Peter Buggenhout opgehangen. Het enorme reliëf is # 83 uit een serie ‘stofsculpturen’, met ‘huishoudstof bedekte composities van abjecte materialen’, die ‘geleidelijk van binnenuit groeien en spreken over de stuurloosheid van het bestaan.’ Stuurloosheid is kennelijk het sleutelwoord. De blinden uit de titel verwijzen naar de Parabel van de blinden van Pieter Breughel De Oude, waarop blinde bedelaars hun voorganger vasthouden om zich te laten leiden. Hun blindheid staat voor de blindheid van de mensheid, die stuurloos is, net als een op zee dobberend vlot. Me dunkt, een beetje met de haren binnen het thema gesleept.

In de Sint-Jozefskerk heeft Hans van Houwelingen het kerkinterieur aangevuld met een extra biechtstoel in de kruisbeuk: Túbélá. Binnenin hangen twee ‘readymades’, bestaande 18e eeuwse beelden, de een bronzen aap, de ander een polychroom Christuskind. Volgens het wandelgidsje verwijzen ze ‘naar de donkere bladzijden van de kerkelijke geschiedenis’. Hoe precies vermeldt het gidsje niet. Waarschijnlijk omdat de aap in de Middeleeuwen symbool stond voor de duivel, en later voor de wellust. In combinatie met het onschuldige Christuskind, ligt seksueel misbruik voor de hand. Op de achterkant hangen twee enorme fossielen, die staan voor het pad van de Kerk, in het verleden èn de toekomst. Wat dit alles met het vlot te maken heeft, is me niet duidelijk.

Hoogte- en dieptepunt

In Mu.ZEE wacht me een verrassend weerzien. Uncertain Journey van Chiharu Shiota is een ruimte vullende installatie die bestaat uit een web van rode draden, met twee verlaten bootjes. Shiota noemt de ruimte een oceaan en de bootjes symboliseren onze levensroute waarvan de eindbestemming ongrijpbaar is. Ik ervaar de installatie als een baarmoeder, waarschijnlijk omdat ik in 2015 Key in the Hand heb gezien op de Biënnale van Venetië, waar Shiota een vergelijkbaar rood web koppelde aan video’s van kinderen die vertellen wat ze zich herinneren van hun geboorte, hun ter wereld komen. Toen hingen er vele sleutels in het web (toegang tot de wereld), in Uncertain Journey hangen er maar drie die verwijzen naar de sleutels in het wapenschild van Oostende.

Maar de absolute topper van de expositie is The Raft van Bill Viola, ook te vinden in Mu.ZEE. De video, die uit 2004 dateert, is op normale snelheid gefilmd, maar wordt in ’slow motion’ geprojecteerd. Een groep van vijftien stadsmensen, van alle rassen, standen, en leeftijden, staat gelaten te wachten. Waarop? Af en toe voegt zich nog iemand bij de groep. Sommigen staan er verveeld bij, anderen lijken in gedachten verzonken; een man staat te lezen, een vrouw zoekt iets in haar tas. Allen in hun eigen psychologische ruimte, maar net iets te dicht op elkaar om zich comfortabel te voelen. Kijkend naar het wachten bouwt de spanning zich op. Plotseling wordt de rust wreed verstoord door een denderende golf van water. Verwarring alom. Verschrikt en angstig proberen de mensen zich staande te houden, sommigen wankelen, als eerste valt de vrouw met tas op de grond, daarna is er geen houden meer aan. Na wat eeuwen lijkt te duren komt de vloedgolf weer tot rust. Kleddernat krabbelen de mensen overeind, sommigen helpen elkaar, twee omhelzen elkaar zelfs. Viola onderzoekt zo hoe volkomen vreemden zich gedragen nadat ze samen een vreselijke gebeurtenis hebben doorstaan. Door het vertraagde afspelen zijn alle emoties niet alleen goed te zien, maar ook invoelbaar.

Het absolute dieptepunt van de expositie is ook een video, te zien in het Hippodroom. Op het eind van de gang met stallen, in vier waarvan video-installaties te zien zijn, wordt mijn aandacht getrokken door Tragedy van Rodrigo García, die een scene uit een van zijn theaterstukken op film heeft vastgelegd. Performer Juan Loriente laat hamsters in een aquarium zakken om ze te leren zwemmen. Spartelend houden de beestjes het hoofd boven water. Als ze op het punt staan te verdrinken tilt Loriente ze er weer uit. ‘Is dit grappig, tragisch of gewoon sadistisch?’, luidt de vraag in het wandelgidsje. Nu is dierenmishandeling verpakt als kunst inmiddels niets nieuws meer, maar deze video vervult me met afschuw.

Eenzaam of niet?

In de trein naar huis maak ik de balans op. Wat te maken van de subtitel. Als kunstenaar betrekt Fabre die op kunstenaars. Ik, als kunsthistoricus, denk bij kunst vooral aan kunstwerken. Maar - het is een open deur -: zonder kunstenaars geen kunstwerken. Kunstenaars maken kunstwerken niet alleen om kijkers te ‘pleasen’, maar ook om ze te shockeren, door een controversieel onderwerp aan de orde te stellen, hun verontwaardiging over misstanden te uiten, en kijkers een spiegel voor te houden. Kunstwerken zijn de spreekbuis van de kunstenaar. Wil een kunstenaar gehoord worden, dan moeten zijn kunstwerken gezien/ervaren en becommentarieerd worden. De impact van kunstwerken wordt bepaald door de kunde en vaardigheid van kunstenaars. De keuze voor een locatie kan die impact vergroten. Denk bijvoorbeeld aan Rosa van Michaël Borremans, de Fake Monuments van Enrique Marty, en Het Vlot van Berlinde de Bruyckere.

Hoe groter de impact, des te geringer de eenzaamheid. Jammer dus dat elders in de stad de locaties vaak interessanter zijn dan de kunst die er te zien is. Zo hebben kijkers in het appartement op de 20e etage van het Europacentrum alleen maar oog voor het spectaculaire uitzicht op de kust van Oostende. De kunstwerken hier zijn echt eenzaam. In de Kursaal heeft het werk van Koen Thys op de dag van mijn bezoek zelfs plaats moeten maken voor een evenement. Ongezien in een donker depot. Eenzamer kan een kunstwerk niet zijn.

Tot slot, gezien de omvang van de expositie zijn er maar weinig spraakmakende werken en een groot aantal treurigmakende. Wat mij betreft is ‘Het Vlot’ van Jan Fabre niet de gehoopte waardige opvolger van ‘De Zee, Salut d’Honneur’ (2014-15), het eerbetoon aan Jan Hoet, dat in grote lijnen nog door de meester werd samengesteld, maar waarvan hij het resultaat niet meer heeft mogen aanschouwen. Altar van Kris Martin levert daarvoor het bewijs. Na 'De Zee' heeft het een permanente plek gekregen op het strand. De oplettende kijker herkent in het metalen frame een exacte kopie van het kader van het Lam Gods, het beroemde altaar van de Gebroeders Hubert en Jan van Eyck, dat in de Sint-Baafskathedraal van Gent hangt. De polyptiek van de Van Eycks was een favoriet van Hoet. Martins Altar is daarom niet alleen een ode aan de zee – want waar is die mooier dan aan het strand? – maar ook een blijvende hommage aan Jan Hoet.