Joseph Klibansky, 'artist/entrepreneur'

Door Sya van 't Vlie


Wat voor nieuws te schrijven over een kunstenaar die zijn volgers op social media dagelijks op de hoogte houdt van zijn creatieve vorderingen en het runnen van zijn kunstbedrijf?

Gelukkig viel een dag na mijn bezoek aan ‘Leap of Faith’, de solopresentatie van Joseph Klibansky bij Museum de Fundatie in Zwolle, het eerste nummer van Metropolis M van dit jaar (2017) bij mij in de brievenbus. Mijn oog viel meteen op het artikel ‘De mythe van de kunstenaar als cultureel ondernemer’. Maar is de kunstenaar-ondernemer wel een mythe? Bewijst Klibansky niet dat die wel degelijk bestaat? Is hij de uitzondering die de regel bevestigt? Of … maakt Klibansky geen Kunst?

De mythe

Het artikel bestaat uit een interview van Dominiek Ruyters met Luisa Redenbacher. De laatste plaatst in het kader van haar studie enkele vraagtekens bij de door de overheid gepropageerde kunstenaar als cultureel ondernemer. Kunstenaars moeten zich verdiepen in hun doelgroep, zorgen dat het klikt met potentiële afnemers. Redenbacher noemt vaardig netwerken, onderhandelen en het vermarkten van je product de drie meest gehanteerde kenmerken van cultureel ondernemerschap. Maar zijn die zaken werkelijk net zo belangrijk als de artistieke bedrevenheid van de kunstenaar? Zelfmarketing door kunstenaars werkt vaak niet en netwerken werkt in de kunstwereld anders dan in het bedrijfsleven. Want voor verzamelaars geven de kwaliteit van het kunstwerk en hoe zij het ervaren de doorslag bij een aankoop. Het verhaal erachter en hoe de kunstenaar zich presenteert zijn slechts ‘ondersteunend’. In het zakelijk verkeer bestaat juist veel waardering voor ‘de romantische kunstenaar’, die in de eerste plaats voor zijn kunst leeft en er moeilijk over kan praten. Maar hij moet wel iets van ondernemen begrijpen en dat kunnen vertalen naar eigen doelen. Redenbacher bepleit dan ook een genuanceerdere kijk op cultureel ondernemenschap.

Klibansky Art Group

Met zijn Kiblansky Art Group bewijst Joseph Klibansky (1984) dat de kunstenaar als ondernemer wel degelijk bestaat. Het samengaan van kunst en commercie is volgens hem zelfs een voorwaarde voor een kunstenaar die een groot publiek wil bereiken. Klibansky die zich liever ‘artist’ noemt – het Nederlandse ‘kunstenaar’ is teveel synoniem met de vraag ‘kom je wel rond?’ – doet niet aan marketing, maar streeft ‘exposure’ na. Hij wil dat zijn werk wordt gezien, liefst door zoveel mogelijk mensen. Dat bereikt hij door continu aan de weg te timmeren op faceboek, snapchat en instagram. Met foto’s over werk in progress, berichten over het wel en wee van zijn studio, de kunstbeurzen waar hij zichzelf presenteert, en exposities waarop zijn werk te zien is. De jongeren die hij zo bereikt ziet hij als potentiële toekomstige verzamelaars van zijn werk.

De Klibansky Art Group is een familiebedrijf. Klibansky’s moeder en schoonzus bestieren onder meer de ‘brand store’. Hoewel gelegen aan de chique Amsterdamse P.C. Hooftstraat is de brand store een laagdrempelige winkel waarin iedereen welkom is. Zijn broer is verantwoordelijk voor de website. In Naarden heeft Klibansky een mega-atelier met een eigen bronsgieterij, een montagerobot, en een afdeling waar de kratten worden gemaakt waarin zijn kunstwerken de wereld over worden gestuurd. Hier combineert hij de nieuwste computer- en 3D-technieken met ouderwets aandoende ambachten. Omdat hij net als zijn voorbeelden Jeff Koons en Damien Hirst grote beelden wil maken heeft hij onder leiding van zijn vader leren bronsgieten. De Klibansky Art Group heeft inmiddels 50 assistenten in dienst, die weten hoe Klibansky het wil hebben.
En dat alles heeft Klibansky bereikt zonder kunstopleiding, door zelf in het ouderlijk huis schilderijen te gaan maken in een door hem bedachte stijl die nog niet bestond, en die, met hulp van zijn moeder, aan de man te brengen in onder andere Frankrijk. Verder benadrukt hij het belang van social media, waarop hij 600.000 volgers informeert over zijn persoonlijk maar vooral zakelijk wel en wee. Mede dankzij social media heeft hij geen galerist nodig, hij is z’n eigen galerist.

Hij brak door met digitale schilderijen van futuristische stadsgezichten. Deze bestaan uit honderden foto’s die hij op zijn ‘fotosafari door de stad’ heeft genomen. Later combineert hij die met fotoshop tot overvolle fotocollages. Daarbij laat hij niets over aan het toeval. Alle details komen op de door hem voorbestemde plek. Daarna volgt de ‘finishing touch’: het overschilderen van de collages met bijvoorbeeld vlinders of exotische vogels. Voor deze mix van computerkunst, grafische technieken, verftechnieken en digitale beeldbewerking gebruikt hij de term ‘digital mixed media’. Na voltooiing is het aan de kijkers om in Klibansky’s steden op ontdekkingsreis te gaan.

De show in Zwolle

De ‘show’ bij de Fundatie brengt tien jaar werk samen. Behalve een aantal van genoemde stadsgezichten toont Klibansky een serie bronzen en kunststof beelden.

Een bronzen Pinokkio, verwelkomt de bezoekers bij binnenkomst. Zittend op z’n knieën steekt hij zijn neus door een ring met een grote diamant. Die diamant staat voor het doel, het succes waarnaar je streeft. Met Reflections of Truth I stelt Klibansky de vraag hoe we dat doel willen bereiken? Door te liegen? Of met eerlijkheid? Op de vierde verdieping van het museum staat de opvolger, Reflections of Truth II. Dit is een staande Pinokkio die als Atlas een enorme diamant, de ‘burden of wealth’, op zijn schouders torst.

Veel bekijks heeft Baby we made it, een bronzen beeld van twee parende reuzeschildpadden met feestmutsen op. De inspiratie voor dit beeld deed Klibansky op bij een schildpaddenboerderij op Mauritius. Terwijl er allemaal ouders met kinderen stonden te kijken klom er ineens een enorme schildpad bovenop een andere. Ze maakten een enorm kabaal, een soort oergeschreeuw. ‘De mensen wisten niet hoe snel ze weg moesten komen’, herinnert Klibanky zich in zijn gesprek met Rinskje Koelewijn. Hij heeft iets van dat ongemak in het beeld proberen te vangen. Dat hij daarin is geslaagd blijkt uit de gegeneerde hilariteit van de kijkers, die zich desondanks graag staand naast het paar vereeuwigen op een selfie.

Een andere populaire fotopartner is de gorillakop Big Bang. De gorilla kijkt nors, vindt zijn feesthoedje en –toetertje maar niks. Die doen afbreuk aan het stoere uiterlijk waarmee hij de kijkers had willen imponeren. Waarschijnlijk vinden die het daarom juist zo leuk om met hem op de foto te gaan.

In de futuristische stadsgezichten ontdekten de kijkers onder andere het Vrijheidsbeeld en Nijntje die in Azië Miffi wordt genoemd. Klibansky heeft beide vereeuwigd met een beeld. Geen kopieën, maar toe-eigeningen met een twist. Zo heeft het witte Vrijheidsbeeld, met de titel Velvet Revolution, een baby op de arm, en in plaats van de toorts met het vrijheidsvuur houdt zij een enorm ijsje in hoorntje omhoog. Het Vrijheidsbeeld als moeder heeft connotaties met afbeeldingen van Madonna met kind. Maar er is niet christelijks aan het voetstuk dat bestaat uit vier fast food ketens die ook voorkomen op de futuristische stadsgezichten. Met haar ene voet staat Velvet Revolution op een McDonald’s, met haar andere op een Burger King met een grote Coca Cola reclame. Op de twee andere kanten vestigingen van Dunkun Donuts en Starbucks. Zo spoort Kiblansky de kijkers aan tot nadenken over nationale symbolen.

Nijntje, Dick Bruna’s icoon van de Nederlandse cultuur, is onderdeel van een ultramarijnen enscenering. Ze balanceert met haar rechter elleboog horizontaal op een keukenstoel, en op haar bovenste (linker) oor ligt een bal. Alles in een onmogelijk evenwicht. Vandaar de titel Equilibrio Iconico. Toen Nijntje/Miffi haar 60ste verjaardag vierde was het beeld te zien op Schiphol Plaza. Op een veiling van Christie’s in het Rijksmuseum werd ze geveild voor € 100.000. De opbrengst ging naar een goed doel.
De op een stoel balancerende figuur herneemt Klibansky in het kolossale Selfportrait of a Dreamer, dat tijdens de show in Zwolle in de beeldentuin van Kasteel Nijenhuis staat opgesteld. Al eerder maakte de dromer furore op Lowlands en was hij de publiekstrekker voor de expositie 'Beautiful Tomorrow' in het palazzo Cavalli-Franchetti in Venetië. Dit keer is het een witte enscenering, waarop Nijntje heeft plaatsgemaakt voor een astronaut, die met zijn hand steunt op de stoelleuning. In plaats van een bal op een oor staat er nu een bolle vaas met zonnebloemen - een verwijzing naar Vincent van Gogh - op rechterbeen van de astronaut.

Het meeste recente beeld van Klibansky, Reflections of Youth, is een Bambi die haar eigen spiegelbeeld, een omgekeerde Bambi, als sokkel heeft. Ook hier speelt evenwicht weer een rol. Dit werk is misschien wel onderdeel van de ‘limited editions’ van een aantal Disney-figuren die Klibansky gaat maken voor Disney ter gelegenheid van de 90ste verjaardag van van Mickey Mouse. De jarige jop is uiteraard de hoofdpersoon van de serie. Hij krijgt een plaats in het hoofdkantoor van Disney.

Ik sta in het museum, dus ik ben Kunst

Laatst hoorde ik iemand op TV zeggen dat de uitspraak ‘cogito ergo sum’ (‘ik denk dus ik besta’) van Descartes de meest ‘misbruikte’ uitspraak uit de filosofie is. Zelf voeg ik er ook een variant aan toe: ‘Ik sta in het museum, dus ik ben Kunst (met een hoofdletter K)’, die me brengt bij de vraag of Klibansky wel Kunst maakt, of gewoon goede kitsch. In elk geval maakt hij ‘conversation pieces’. Klibansky is wel de Heleen van Royen van de beeldende kunst genoemd, maker van publiekslievelingen maar niet serieus genomen in de Nederlandse kunstscene. De financiële wereld doet dat wel. In een interview met Paul van Riesen, adjunct hoofdredacteur van Quote, doet Klibansky die kritiek af met de constatering dat kunstcritici de ontwikkelingen in zijn bliksem carrière niet kunnen bijhouden en curatoren meer gefocust zijn op hun leeftijdgenoten.

De beginzalen van Klibansky’s show lieten mij onbeslist. Eerlijk gezegd vond ik de vraag ook niet echt relevant. Tot ik in de centrale zaal kwam met daarin de naamgever van de show: Leap of Faith. Op de wand vier grote schilderijen, een soort stripverhalen. Twee met zwarte scenes op een gouden ondergrond, twee met witte scenes op een zwarte ondergrond. De zaal oogt absoluut museaal.
Leap of Faith stelt een astronaut voor die een bronzen kruis van vier en een halve meter op z’n rug draagt. De kijker kan hem niet in de ogen kijken, want het raampje van zijn astronautenhelm is niet transparant maar van glad gepolijst brons. De kijker ziet daarin slechts zijn eigen gezicht weerspiegeld. Klibansky houdt ons letterlijk en figuurlijk een spiegel voor. Immers, deze astronaut heeft veel weg van de ‘dreamer’. Heeft hij die niet eerder een zelfportret genoemd? Dat maakt wat hij over de astronaut te zeggen heeft des te interessanter: ‘De ruimtereiziger is een pionier. Hij verkent voor ons de ruimte en onderzoekt of er mensen op Mars kunnen wonen. Stel dat het kan, nemen we dan religie mee of laten we dat achter en beginnen we opnieuw? Geloof veroorzaakt zoveel oorlog en ellende. Maar het geeft mensen ook hoop.’ Klibansky wil met zijn werk geen oordeel vellen. ‘Ik stel alleen vragen’. En met de vragen richt hij zich uitdrukkelijk tot de kijkers. Net zoals 'echte' kunstenaars doen.

In zijn interview met Koelewijn noemt Klibansky de vier schilderijen ‘thought paintings’. ‘Er gaat altijd zoveel om in mijn hoofd. Dit werk is alsof ik op pauze druk en het beeld bevriest. Alles door elkaar: seks, religie, geweld, liefde.’ Hij beschouwt ze als een dagboek in tekeningen. Dat bevestigt mijn indruk dat zijn werk in deze zaal veel autobiografischer is dan de overige werken. Uitleggen wat alle details betekenen, heeft geen zin. ‘Dat mag ieder voor zich ontcijferen’.

In de lift naar beneden valt mijn oog pas goed op het roze neon wandreliëf Nobody ever made me fall in love like this. Het object van die liefde is een schattig baby’tje, dat een gouden ijsje koestert. Het kan niet anders of dit is Klibansky’s eigen baby’tje. Baby’tje en ijsje verbinden het reliëf weer met zijn Vrijheidsbeeld.

De grotere nadruk op de autobiografische inbreng heeft geleid tot een indringendere vraagstelling en daarmee een boeiender gelaagdheid in Klibansky’s werk, dat terecht een plaats heeft gekregen in een toonaangevend museum als Museum De Fundatie. Kortom, ‘artist-entrepreneur’ Joseph Klibansky bewijst dat de kunstenaar als cultureel ondernemer ook in Nederland geen mythe is.



Bronnen
Dominiek Ruyters - De Mythe van de kunstenaar als cultureel ondernemer (in Metropolis M nr 1 2017)
Lunchinterview van Rinskje Koelewijn in NRC van 17 januari 2017
Interview in serie 'Profile' van Paul van Riesen van 17 oktober 2016