Maria Roosen

Door Sya van 't Vlie


VUUR bij kunsthal KAdE in Amersfoort

Na het zien van Maria Roosens overzichtsexpositie VUUR bij kunsthal KAdE bekroop me een gevoel van aarzeling om erover schrijven. Immers, Roosen heeft haar werken zelf uitgebreid toegelicht met informatieve en vaak openhartige uitleg. Verder maakt ze niet echt crossovers. Wel is ze een beeldhouwer die voornamelijk werkt in glas. Dat bijzondere materiaal gaf de doorslag, te meer omdat ze samenwerkt met professionals uit het ambacht, de glasblazers. Roosen komt uit de expositie naar voren als een sterke èn kwetsbare kunstenaar. Vol hartstocht en humor rijgt ze religie, erotiek, dood en leven aaneen. Dat staat garant voor even boeiende als onderhoudende expositie.

Roosenkransen

Bij binnenkomst lokt de expositiezaal beneden. Maar een donkere spermazotoïde van glas lijkt de weg te wijzen naar de kabinetten boven.

In de eerste hangt Voor de Sterkste man (1985), een zware ketting van grote houten kralen, met daartussen een fiere penis. Roosen heeft de ketting gemaakt na de dood van haar geliefde. Maandenlang hakte ze de boomstammen tot ronde kralen. Het hakken was een uitlaapklep voor haar agressie. Maar dit arbeidsintensieve maakproces bood haar ook troost.
In de overloop boven tref ik een oude bekende: Roosenkrans (voor mijn moeder, 2017). Die had ik eerder gezien op de expositie ‘Maria’ in Museum Catharijneconvent in Utrecht. Om haar rozenkrans te presenteren had Roosen zich een beeld uit de collectie van het Catharijneconvent toegeëigend, een Maria met kind op maansikkel van omstreeks 1495. Het museum heeft het houten Mariabeeld aan Roosen geleend om Roosenkrans in Amersfoort opnieuw in bijpassende context te kunnen tonen. Het houten Mariabeeld hangt aan de muur. Maria toont, staand op de maansikkel, het symbool van haar kuisheid, haar kind aan de wereld. In zijn hand houdt Jezus een druiventrosje, een verwijzing naar de wijn van de eucharistie. Om de schouders van deze Maria heeft Roosen een enorme rozenkrans gehangen, van spiegelende zilveren en oranje kralen. Het snoer bestaat uit vormen van groenten: tomaten, uien, knoflook, komkommers, kalebassen en pompoenen. Tussen deze overdaad van vruchtbaarheidssymbolen herken ik weer een penis. Als ik dit detail op de foto zet zie ik mezelf met camera in de ballen weerspiegeld.


In de bijbehorende zaaltekst geeft Roosen uitleg over de relatie tussen ketting en rozenkrans, en waarom ze beide als aanvulling op de titel naar een van de elementen heeft genoemd. In het geval van Voor de sterkste man is dat lucht en bij Roosenkrans aarde. In de tussenliggende periode heeft Roosen nog twee Roosenkransen gemaakt, in 1997 en in 2008. Die in 1997 was voor een stenen beeld van een vrouwelijke heilige in de Vleeshal in Vlissingen. De glazen kralen waren blauwe ogen, die deden denken ‘aan een Turkse Nazar (boze oog) dat beschermt tegen het kwade’. Zo combineerde ze twee religies. En door de rozenkrans Roosenkrans te noemen maakte ze er haar eigen rozenkrans van. In 2008 maakte Roosen voor het Kunstpalast in Düsseldorf een nieuwe Roosenkrans, dit keer voor een Madonnabeeld uit de collectie van het museum. Roosen heeft de blauwe ogen ingewisseld voor rode vormen van granaatappels, fruit en druppels. Interessant is dat de granaatappel het symbool is van Persephone, echtgenote van Hades, die elk voorjaar de onderwereld verlaat om de aarde te doen ‘opleven’. Bezwering tegen het kwaad heeft plaats gemaakt voor vruchtbaarheid, en de cyclus van dood en leven.
Het idee voor de toevoeging Eén van de elementen kreeg Roosen pas in 2017, na het zien van Aarde (1569) uit de serie Eén van de elementen van schilder Joachim Beuckelaer (1533-74). In dit genrestuk van een groentekraam op de markt heeft de schilder links boven een religieus thema verborgen: de vlucht naar Egypte. Het combineren van meerdere betekenissen in één werk sprak Roosen aan, en ze realiseerde zich dat de laatste Roosenkrans voor haar moeder ook de aarde representeert. De rode uit 2008 representeert vuur, de blauwe (1997) water, en de eerste, Voor de sterkste man, lucht.

Liefdesverdriet

Probeerde Roosen met het hakken van grote ronde kralen het verlies van haar geliefde te verwerken, met When I think of you (1988) hielp stikken op de naaimachine bij de verwerking van liefdesverdriet. When I think of you bestaat uit een witte lap, waarop met blauwe draad banen zijn gestikt. Alsmaar heen en weer, van boven naar beneden, om het liefdesverdriet uit te bannen.

Als zaalinformatie heeft Roosen gekozen voor een tekst van Hanne Hagenaars in Mr. Motley (mei 2017). ‘De doek ziet er verwrongen uit, passend bij het gevoel, alles krimpt in elkaar tot die ene compulsieve gedachte, de gedachte die bij de geliefde is, die niet meer jouw geliefde is, het gemis, het ondraaglijke gemis. Het niet kunnen accepteren werd uitgestrekt in die gestikte draden, op en neer, tot het langzaam wat dragelijker werd en haar ogen de realiteit aan konden.’ Mooier kun je het omschrijven. Hagenaars vergelijkt de blauwe banen met rivieren, maar door het noemen van Roosens ogen moest ik denken aan ‘banen van tranen’.

Museumvloer en Bellenrek

Als voorbereiding op Bellenrek (2017) dat in een van de kabinetten staat, lijkt het logisch eerst te kijken naar Roosens keuze voor glas als beeldhouwmateriaal. De zaalinformatie gaat daarop uitgebreid in. Roosen noemt het maken van aquarellen haar ‘bron’. Vanuit het materiaal, de vloeibare plassen aquarelverf, ontstaan de vormen, van binnen uit. Datzelfde geldt voor glasblazen. Want het vloeibare glas groeit ook van binnenuit tot de door haar gewenste vorm. Verder beschouwt Roosen glas als gestolde energie. Ze begon met het in vormen smelten van glasplaten. De eerste vorm die zo ontstond was een bol. Aanvankelijk waren de bollen transparant, later volgden zwarte bollen. Na bestudering van allerlei kannen in collecties als die van Museum Boijmans van Beuningen, is ze met Bernard Heesen kannen gaan glasblazen. Roosen denkt in glas, ze blijft de mogelijkheden van temperatuur, plasticiteit en kleur onderzoeken. Het samenwerken met glasblazers maakt dat ze steeds beter in staat is om vanuit het maakproces te werken. Roosen is altijd zelf bij het glasblazen aanwezig om aanwijzingen over vorm en kleur te geven. Van elke kleur weet ze of die makkelijk of moeilijk te vormen is.



Tegenwoordig werkt Roosen samen met twee glasstudio's in Tsjechië. Omdat ze de in Tsjechië gehanteerde Duitse glaskleurnamen zo poëtisch vindt, heeft ze het ‘gedicht’ Glaskleurnamen aangebracht op de vloer van de grote expositiezaal beneden. Tussen de sculpturen lees je 'dunkelheliotrop', 'siennabraun', en 'irishellblau' die in het Duits inderdaad melodischer klinken dan in het Nederlands. Een sympathiek eerbetoon aan de Tsjechische glasblazers.

Toen Roosen eind jaren ’90 begon met het gebruiken van kleur bij het glasblazen, was haar uitgangspunt het bellenrek van de glasblazerij met proefbelletjes van alle kleuren. Zo kwam ze op het idee voor haar eerste bellenrek. In de publicatie bij de tentoonstelling heeft Bellenrek de titel Glassbubbles colour-powder (2017) om aan te geven dat het is gemaakt met de kleurpoeders en kleurchips van de twee Tsjechische glasstudio’s. Vijf verschillende glasblazers hebben de bellen, die verdacht veel lijken op zaadcellen, geblazen. Elke glasblazer heeft zijn eigen signatuur, zodat Roosen herkent wie welke bel heeft geblazen. Roosen heeft ze zeep laten gebruiken om luchtbellen in het glas te krijgen.
Bij mijn gang door de kabinetten kwam ik steeds weer die zwarte zaadcellen tegen die de weg leken te wijzen, soms recht vooruit, dan weer een beetje de hoek om. Tot ik er één in een vitrine zag, die inderdaad Richtingwijzer (2017) heet. Wat geestig om de route door je tentoonstelling te laten aanwijzen door zaadcellen.

Melkmeisje, borsten en lullen

Uit het voorgaande valt af te leiden dat Roosen graag objecten maakt die worden geassocieerd met erotiek.

Als Roosen begin jaren ’90 begint met glasblazen maakt ze eerst een ‘familie’ van roze kannen. Ze karakteriseert haar kannen als vloeiend, alsof ze zijn gemaakt van de vloeistof waarvoor ze dienen. In de expositie zijn ze her en der te vinden, veelal als onderdeel van een installatie-achtige enscenering zoals Tafel (1985-2017). In de vitrine bij de ingang staat een familie van mini kannetjes op poppenhuisformaat. Dat Roosen de kannen in verband brengt met het schenken van melk, en zichzelf ziet in de rol van melkmeisje blijkt uit de poster/foto die naast haar biografie hangt. Op de foto houdt ze haar armen rond een uitsnede van Vermeers Melkmeisje die gedrukt staat op haar jurk. Nu staat melk in veel talen voor zaad en het verlangen naar seks. Maar de bolle melkkan doet ook denken aan de borst, de ultieme schenker: van moedermelk. Als Roosen borsten gaat maken zijn de eerste dan ook van roze glas. Daarna volgen borsten van spiegelglas, en nog weer later in allerlei kleuren.

In de gang langs de kabinetten hangen die borsten paarsgewijs op borsthoogte aan de muur. Zachte vrouwelijke vormen, gestold tot hard glanzend glas. Door de associatie van glas met breekbaarheid hebben ze hun hardheid grotendeels verloren. Uitdagend hangen ze daar, ze nodigen uit om betast te worden. Maar natuurlijk mag je alleen maar kijken naar deze lustobjecten. Roosens humor blijkt in één van de kabinetten waar een paar bij wijze van ‘pars pro toto’ verleidelijk zit te zijn in comfortabele fauteuil: Chesterfield (1995).
Dat melk ook in verband te brengen is met zaad brengt me bij het mannelijk lid, dat ik tot nu keurig ‘penis’ heb genoemd. Maar Roosen noemt de zaken liever bij hun naam: een penis is een piemel of een lul, en een vaasje met drie lullen is een Lullenvaasje.



En wat te denken van het trio roze Willy Heads. De ‘piemelkoppen’ lijken portretten van vrouwen, maar als je goed kijkt zie je dat hun kapsel, neus, en ogen uit piemels bestaan. Je moet het maar durven.
Dat Roosen niet van sokkels houdt is elders ook al zichtbaar. Maar hier doet de presentatie op pallets met kisten – kisten waarin de koppen vervoerd zijn? – af aan het trio. Te uitdrukkelijk. Wel interessant is dat Roosen weer verwijst naar de kunstgeschiedenis. Een van haar Willy Heads heet Medusa en is ingegeven door het schilderij van Caravaggio. De twee andere zijn 'after René Magritte' en 'after Paul McCarthy'. Naar welke Magritte en McCarthy ze precies verwijst, is niet te vinden in de zaalinformatie. Bij Paul McCarthy zou het Dick Eye kunnen zijn, een rood siliconen hoofd (er bestaan ook versies in het blauw en zwart) uit het oog waarvan een drietal lullen hangen. Kortom, Dick is het broertje van Willy.
De humor van Roosen blijkt ook hier weer. Op de wand naast de Willy Heads hangt een aquarel, een portret van Roosen zelf, niet zomaar een zelfportret, maar van een kwade Roosen, zoals blijkt uit de toevoeging 'kwaad' achter Zelfportret. Haar kapsel, een krans van woorden – ik herken ‘waarom’, ‘oorzaak’, en ‘pijn’ – geeft uiting aan haar woede. Maar Roosen heeft dit zelfportret vast niet voor niets naast de Willy Heads gehangen. Want die woedende haardos lijkt wel een beetje op de ‘willies’.

Paul McCarthy brengt me ook bij Roosens Fashion Show (2017), een stoet van zes kleine ‘guys with apple’. Appels op beentjes. Eén heeft een enorme erectie, bij een ander hangt z'n piemel tot op de grond (als een derde been), twee andere lijken eerder vrouwtjes die er wulps bij liggen. Ze doen me denken aan McCarthy’s Apple Heads (1998), een Adam en Eva met een grote appel als hoofd en enorme geslachtsdelen. Vergeleken bij McCarthy's grove verwijzing naar de erfzonde oogt die van Roosen speels en delicaat.

Tussen de fruitladders, die 6 tot 9 meter hoog zijn, hangen snoeren met fruit, drie met rode granaatappels en één met gele citroenen. Tussen de glazen vruchten hangen ook echte, die gaande de expositie sporen van verrotting vertonen, en zo letterlijk hun vergankelijkheid laten zien. Roosen heeft de installatie Fruits of Love (2015-17) genoemd. Net als het leven is in haar optiek ook de liefde vergankelijk. Voor haar representeert de granaatappel vanwege z’n vele zaden de vruchtbaarheid. Tegelijk associeert ze z’n rode kleur met de dood. Maar bovenal staat de granaatappel voor de verleiding. Zo zou het de granaatappel zijn ‘die tot de verbanning van Adam en Eva uit het paradijs heeft geleid’. Citrusvruchten zijn volgens Roosen gewijd aan Venus, de godin van de liefde. Vreemd, want echt liefelijk van smaak is de citroen toch niet. Maar net als de citroen kan de liefde zuur zijn.
Achter een van de fruitladders hangt de grote aquarel Overalls. Hoewel de fruitplukkers die ze dragen ontbreken, zijn de zes groene overalls vrolijk aan het dansen. Als bacchanten na de druivenpluk.

Te midden van de fruitladders heeft Roosen de tent opgezet waarin ze vroeger kampeerde. Maar dan wel verkleind tot de helft, waardoor je er als kijker op neerkijkt. Tentje (1998) krijgt daardoor z’n eigen ruimte die het niet echt deelt met de kijkers. Verder is Tentje gesloten, wat de kijkers buitensluit. Dat wordt nog versterkt doordat Tentje niet is vastgezet met haringen maar met roze en lichtblauwe kannen, die een beschermende kring om haar heen vormen. Zo krijgtTentje tussen die hoge ladders iets aandoenlijks en oogt ze eenzaam.

De meer dan levensgrote mensfiguur die wat terzijde bij de trap staat, lijkt zich niet om Tentje te bekommeren. Wat mij betreft valt ze hinderlijk uit de toon in deze opstelling. Ze heeft de vorm en bonte kleuren van een Russische matroejska. Maar het gelaat van Widow 1 (2016-17) is een zwart geblakerd rond gat, dat overgaat in een grote zwart geblakerde spleet/vagina. Ze is gemaakt uit een zware boomstam. De bonte kleuren geven de jaarringen aan. Buiten bij de ingang van de kunsthal staat Widow 2 (2016-17), van wie de houthuid zwartgeblakerd is. Beide vormen zijn gemaakt met behulp van een speciale draaibank die is ontwikkeld door de zonen van beeldhouwer Piet Slegers. Roosen heeft de littekens die in de dikke stammen aanwezig waren verder uitgehold tot dikke langwerpige, op spleten lijkende openingen. Met de toevoeging 'naar Fontana’ verwijst Roosen naar de schilder Lucio Fontana die met een mes ‘slashes’ aanbracht in zijn doeken om de werkelijke ruimte toe te laten in zijn abstracte schilderijen.

Overwinnaars en David

Behalve glas lenen ook andere materialen zich voor het maken van lullen.

After David nr 2 (2015) is een krukje waaruit een bundel roze gehaakte en gebreide lullen ontspruiten, slap hangend, alsof ze na gedane arbeid hun erectie hebben verloren. Mogen we daaruit concluderen dat het in het leven van Roosen met de liefde wel is goed gekomen? Zaalinformatie ontbreekt, dus die vraag blijft onbeantwoord.



Een andere vraag dringt zich op bij het binnenkomen van de ruimte met Overwinnaars. Sinds 1985 verzamelt Roosen krantenfoto’s van overwinnaars. Ze heeft de wanden van een kabinet op de benedenverdieping ermee behangen. De eerste foto was die van Bernard Hinault na een overwinning in de Tour de France. ‘Even heb je het gehaald. Het duurt heel kort zo’n overwinningsmoment, maar het is alles waard. Dat heb ik ook in mijn werk.’ Aldus Roosen. Tussen sporthelden die triomfantelijk de gewonnen beker omhooghouden ontdek ik Tom Dumoulin, berg opwaarts fietsend de overwinning tegemoet. Verder veel politici na hun verkiezingsoverwinning, zoals onlangs Angela Merkel. Tussen de popsterren valt Michael Jackson op, tussen de kunstenaars Matthew Barney als halfgod, en tentoonstellingsmaker Jan Hoet, voormalig directeur van het S.M.A.K. in Gent. En dan zie ik bovenin, naast schaatser Evert van Benthen, de David (1501-04) van Michelangelo, met over zijn schouder de slinger voor de steen waarmee hij Goliat zou vellen. Fier, naakt, met eigenlijk een naar verhouding kleine piemel, die ooit toen hij nog buiten voor de Palazzo Vecchio stond, schuil ging onder een vergulde lendendoek. Op Roosens foto staat hij in volle glorie in de Galleria dell’Academia (Florence). Zou After David nr. 2 naar Michelangelo’s David verwijzen?

Doornenbol en Vuur

Roosen heeft de expositie de titel VUUR gegeven. Waarom? Vuur is een verwoestende kracht. Maar vuur is ook nodig bij het glasblazen en bij het zwart blakeren van haar houten beelden. Dat voldoet maar ten dele als antwoord.

Het bevredigende antwoord geeft de video Doornenbol, die wordt getoond in het filmkabinet. Doornenbol behoort tot wat ik de ‘verdrietbeelden’ zou willen noemen, zoals Voor de sterkste man en When I think of you. Maar als fysiek beeld bestaat Doornenbol niet meer. ‘Eens’ heeft Roosen die grote bol van bramentakken in elkaar gerold. Het zoeken en het vervoeren van het materiaal en het daarna tot braambol buigen moet een pijnlijke arbeid zijn geweest, zelfs voor de ‘super-braambollenmaker’, zoals Roosen zichzelf noemt. Het maakproces heeft iets van een lijdensweg. Aan het eind van de dag zat ze altijd vol krassen. Dit maakproces is als het oprollen van het verdriet. Vooral niet aanraken. Te pijnlijk. Tot Roosen in 2000 besloot dat het tijd was Doornenbol te verbranden. Ze heeft dit ‘bezwerende ritueel’ laten vastleggen op film, overdag, 's nachts, tot in de vroege ochtend. Hoewel de video bepaald geen Kunst met grote K is, blijft iedereen geboeid zitten kijken naar het in vlam steken van Doornenbol, naar de steeds hoger oplaaiende vlammen, tot er niets meer rest dan een smeulend hoopje as. Maria Roosens oud zeer is in rook opgegaan.

Bronnen:
Zaalinformatie
Publicatie ‘VUUR’, met teksten van Judith van Meeuwen en Maria Roosen
Domeniek Ruyters – ‘Maria Roosen – zacht glas’ (internetfeature Metropolis M)

Noot: Joachim Beuckelaer
Behalve Aarde voorgesteld als groentekraam, bestaat de serie van Eén van de vier elementen van Joachim Beuckelaer uit Water voorgesteld als een viskraam, met verborgen de Wonderbare Visvangst, Lucht voorgesteld als een kraam met gevogelte, met verborgen de Verloren Zoon, en Vuur voorgesteld als een keukenscène met verborgen Christus in het huis van Maria en Martha.