Martin Creed bij Museum Voorlinden

Door Sya van 't Vlie


Martin Creed zet museum en bezoekers naar zijn hand

Een dwangneuroot vol zelfspot en humor, zo zou ik Martin Creed (1968) willen omschrijven. En die eigenschappen maken Creed tot een echte ‘experience designer’. Hij onderwerpt het museum aan zijn wetmatige ingrepen, dwingt de kijker in zijn gareel, maakt gebruik van kant-en-klaar voorwerpen om zijn keuzestress in te dammen, zet figuranten in die zich moeten houden aan zijn script, en nummert zijn werken, zodat hij ze chronologisch ordent zonder over titels te hoeven nadenken. ‘Say cheese’ is dan ook meer dan een tentoonstelling, ‘Say Cheese’ is een crossover tussen beeldende kunst, natuur, architectuur, muziek en theater. Kortom, ‘Say Cheese’ is een multimedia beleving, waarin bezoekers niet alleen kijken, maar ook luisteren, en passief of actief meedoen.

Ballonnendoop

Meteen bij de start van de tentoonstelling onderwerpt Creed zijn publiek aan een ballonnendoop, getiteld Work no. 628 (2007). Zaal 1 is voor de helft gevuld met aanvankelijk blauwe, maar toen ik er was, gekleurde ballonnen. Twee suppoosten laten de bezoekers in kleine groepjes naar binnen. Ze gaan onder in de ballonnenzee; de ballonnen opzij en omhoog duwend moeten ze zich een weg banen naar de uitgang. Een vrolijk spel dat naarmate de gang door de ballonnen vordert iets benauwends krijgt. Bij de uitgang laten twee suppoosten de bezoekers er weer uit, erop toeziend dat er geen ballonnen ontsnappen.

Wetmatige ingrepen

Creeds ingrepen beginnen al buiten.

Voor het museum heeft hij vier bomen geplant, oplopend in hoogte, op gelijke afstand van elkaar, en even snel groeiend, zodat hun onderlinge lengte in verhouding blijft. Work No. 2792 (2017) is dus een permanente ingreep waarin de ordening van Creed met het verstrijken van de tijd zichtbaar blijft.

In drie zalen heeft Creed tijdelijke ingrepen gerealiseerd op de museumwanden.

In zaal 2 nam hij twee wanden onder handen. Work No. 1779 (2013), op een van de korte wanden, bestaat uit geschilderde vierkante rode ruiten. De lengte van de zijden is gelijk aan de breedte van een 12 inch verfroller. Links onder beginnend zijn de ruiten eerst ingetekend. Daarna zijn ze ingeschilderd met twee schuine op-en-neer rolbewegingen van de verfroller. Eenmaal gerold staat de vorm, corrigeren is niet mogelijk. Elke ruit is uniek. Als je goed kijkt, zie je dat de ene ruit beter is gelukt dan de andere. Work No. 2482 (2015) beslaat een lange wand. Op de wand zijn horizontale gele banen aangebracht. De breedte van de banen is bepaald door de breedte van de gebruikte verfroller, de kleur is standaard geel uit het RAL-schema. In de gele banen zijn de aanzetten van de verfroller goed te zien. Door standaardkleuren te gebruiken en de breedte van de verfroller aan te houden hoeft Creed minder keuzes te maken. Zo vermindert hij zijn ‘keuzestress’. In de hoek waar de wanden elkaar raken richt Creed zich bovenin tot de bezoeker met de geruststelling DON’T WORRY in lichtblauwe neonletters. Door het bijbehorende BE HAPPY er niet aan toe te voegen, legt hij de nadruk op ‘worry’ waarmee hij je gedachten stuurt naar dingen die je juist zorgen baren.

In zaal 4 zijn op een van de wanden 104 verticale banen aangebracht van verschillende soorten tape op 5 cm van elkaar. Ondanks de verschillen in kleur, textuur en wel/geen patroon, vormt Work No. 1806 (2014) één geheel. In zaal 5 is voor Work No. 1000 (2009-10) het stempelprincipe gebruikt. Als stempel dienden beide helften van 500 doorgesneden broccolistronken. Elke stempel met een eigen kleur. Om tot 1000 kleuren te komen, heeft Creed naast waterverf, acryl, en olieverf ook autolak en nagellak gebruikt.

Kant-en-klaar voorwerpen

Behalve bestaande bomen, tape en standaard verfkleuren zijn in de tentoonstelling nog meer kant-en-klaar voorwerpen te vinden.

Zo heeft Creed tegen de wand van zaal 3 een piramide van 1275 zachtgele wc-rollen gestapeld. De onderste rij van Work No. 1826 (2014) bestaat uit 50 wc-rollen, de rijen erboven bestaan telkens uit één rol minder, tot de top met slechts één rolletje. Haaks op de piramide staat in het midden Work No. 587 (2006), een rij van 29 verschillende cactussen, geordend naar hoogte, van enorm groot naar piepklein. Anders dan bij de bomen in de tuin voor het museum bestaat de kans dat de natuur zich niet houdt aan Creeds ordening. Als er een of meer cactussen sneller groeien dan de overige, moet de volgorde worden aangepast.

In zaal 4 staat Work No. 725 (2007), een stapeling van multiplexplaten van twee formaten. Onderop liggen 68 platen van 122 x 61 cm, daarboven 136 platen van 244 x 122 cm. ‘De exactheid van de stapeling wordt op scherp gezet door de instabiliteit die lijkt te ontstaan door de kleinere platen onderop te plaatsen’, aldus de tentoonstellingstekst.
De tentoonstelling telt ook twee stapelingen van bestaande meubels. Work No. 928 (2008, zie foto overzicht zaal 2) is een stapeling van vier verschillende tafels. Onderop een klassieke eettafel met sierlijke poten, met daarop een strak modern bureau, een design salon tafel en bovenop een glazen bijzettafeltje. Work No. 998 (2009) bestaat uit vier gestapelde stoelen. Net als de tafels geordend van groot naar klein. De stoelpoten staan precies op de hoeken van de stoel eronder, want volgens Creed willen stoelen ook zitten. Voor beide stapelingen geldt dat kijkers zich focussen op de onderlinge verschillen van de gelijksoortige objecten die we in een normale context geen blik waardig achten.

In twee geordende opstellingen speelt geluid een rol, als verstoorder van die orde. In zaal 2, die met de wanden van rode ruiten en gele banen, staan langs de wanden op de grond 39 metronomen: Work No. 112 (1995-98). Ze staan alle op een ander tempo ingesteld, waardoor een kakofonie van tikken ontstaat. Een enkele metronoom zorgt ervoor dat je als musicus de maat houdt. Maar met z’n 39-en is de regelmaat ver te zoeken en voert chaos de boventoon. Iets dergelijks gebeurt in zaal 5. Work No. 2694 (2016) is een installatie die bestaat uit zeven verschillende luidsprekers die ieder zijn verbonden aan een eigen speler. Tegelijkertijd laten ze korte stemfragmenten horen, flarden van zinnen of hersenspinsels van Creed. De geluidsfragmenten bundelen zich en vormen samen een kakofonie. Pas als je dicht bij een van de luidsprekers gaat staan, kun je een fragment ontwarren uit de flardenstroom. De installatie doet denken aan de manier waarop Creed zijn liedjes schrijft. Het begint met een zin die hij eindeloos herhaalt, er komen woorden bij, en er vallen weer woorden af. Daarna zet hij er muziek onder en gaat aan het produceren. Vaak blijft er weinig over van de zin die het uitgangspunt was.

Nog drie opvallende bestaande objecten zijn de drie Fiats, waaruit Work No. 2693 (2016) bestaat. Ze komen uit Creeds eigen verzameling. Creed leerde pas op 40-jarige leeftijd autorijden, in een witte Fiat Panda. Daarna kocht hij de rode Panda die in het midden staat. Ernaast staan een groene Fiat 900 Camper en een lichtblauwe Fiat Dino coupé. In de achterbak van elk bevindt zich een schilderij met kleurvlakken. Op elk paneel bracht hij drie klodders verf aan die hij in verschillende richtingen liet uitlopen door het paneel te kantelen.

Inzet van medemakers en figuranten

In zaal 6 hangen twee schilderijen van gelijke afmetingen tegenover elkaar. Work No 2793/4 is horizontaal, Work No. 2793/4 verticaal. Grote klodders en lange slierten verf vullen het hele doek. Het verticale doek is uitgevoerd in grijstinten, het horizontale doek in alle overige kleuren uit het assortiment van verfproducent Van Beek. Creed heeft de uitvoering overgelaten aan medewerkers van Museum Voorlinden. Zijn opdracht was om in verticale armbewegingen verf op het doek te gooien, vanuit de tube of de fles. Er mocht geen kwast aan te pas komen. Zo sloot Creed de persoonlijke toets uit. De doeken waren hoog opgehangen zodat de dertig uitvoerders vaak boven hun macht moesten werken, zodat ze zo min mogelijk controle hadden over het eindresultaat. Uiteraard zaten na afloop niet alleen de doeken onder de verf, maar ook de ruimte er omheen en medewerkers zelf. Een mooi voorbeeld van schilderen als happening.

De tentoonstelling heeft een hoog performance gehalte doordat Creed figuranten inzet. Als je in zaal 5 op een bank zit uit te rusten, kijkend naar de tuin en Work No. 1086 met de boodschap in neonletters: ‘Everything will be allright’, wordt die rust ruw onderbroken door vijf hardlopers die om de beurt in een 60 m lange sprint komen langs rennen. ‘Alsof hun leven ervan afhangt’, luidt de instructie van Creed voor de twee teams van vijf atleten die Work No. 850 (2008) uitvoeren.
Met andere optredens wil Creed de grenzen tussen beeldende kunst en muziek doorbreken.
Zo kan bij de bestudering/beleving van een kunstwerk je aandacht worden afgeleid door het wandelend muziekkorps Work No. 2734 (2016), dat bestaat uit een percussionist, een snaar-, wind-, en koperinstramentalist die in een rij achter een zanger met een megafoon aanlopen.

Heel geslaagd is Work No. 736 (2007). Op gezette tijden komt een suppoost in zaal 4 een pianostuk van Creed uitvoeren. Het stuk bestaat uit een oplopende en een neergaande reeks noten, die de pianist alle even lang moet aanhouden; de tussenpozen duren net zo lang. Geen enkele toon springt eruit. Elke noot krijgt een gelijke behandeling. Dit gelijkheidsideaal druist in tegen het idee van het kunstwerk als meesterwerk (geniaal, origineel, persoonlijke toets, etc). Verder hoeft de suppoost die de piano bespeelt geen getrainde pianist te zijn, zolang hij/zij zich maar houdt aan de instructies van Creed. Het pianostuk sluit prachtig aan op de wand met verticale banen van tape, het lijkt daarvan wel de ‘muzikale invulling’.

Videos

Lopend door zaal 7 met onder andere een lamp die aan en uit gaat komen de bezoekers in zaal 8 waar twee videofilms te zien zijn, die beide getuigen van Creeds humor. In Work No. 1701 volgt een camera een aantal mensen dat na elkaar een zebrapad oversteekt bij Gavin Brown’s old West Village gallery. Ze huppelen, lopen mank, of met een rare tred, terwijl Creed op de achtergrond zijn eigen pop song ‘In my car/In my bed/In my head/You return’ zingt. Het filmpje eindigt als een op zijn achterste zittende man zich met zijn in handschoenen gestoken handen de weg over trekt.

In zaal 2 bevindt zich een vitrine met een heuse readymade. Work No.2705 (2016) is een bos krullen die Creed bij zichzelf heeft afgeknipt. Toen zijn haar in zijn tienerjaren opeens begon te krullen kon hij dat maar moeilijk accepteren. Veel kijkers zullen dat herkennen. Net als hij zouden ze graag ander haar willen. Onder de vitrine wordt het die oncontroleerbare haardos beteugeld. Voordat hij zijn haar afknipte, trad hij met verschillende kapsels op in de video Work No. 2656 (2016). Ook wisselt hij in de video voortdurend van outfit. Zo is hij te zien met verschillende handschoenen, brillen en kleren terwijl hij de door hem zelf geschreven song ‘Understanding’ uitvoert. Met zijn en andere handen achter de oren luistert hij. De film en de song zijn ingegeven door Creeds ontmoeting met zijn 7-jarige stiefdochter. Om elkaar te leren kennen moeten ze zich in elkaar inleven, naar elkaar luisteren, zich in andermans schoenen verplaatsen, door een andere bril naar elkaar kijken. Creed verbeeldt deze kennismaking als een verkleedpartij van een kind. Ontroerend en geestig.

‘Say Cheese’

‘Say cheese’ zegt een fotograaf tegen iemand die hij lachend op de foto wil vastleggen. In zaal 3 bevinden zich twee werken die samen deze titel lijken uit te beelden. Work No. 299 (2003) is het zelfportret van een breeduit lachende Creed. Als kijker krijg je de neiging terug te lachen. In een hoek aan het plafond hangt Work No. 2667 (2016), zes felblauwe neonletters die samen het woord CHEESE vormen. Als kijker associeer je dit woord met het verzoek van de fotograaf om te (glim)lachen alvorens hij het knopje op zijn fototoestel indrukt. Maar de werkelijkheid is anders. Creed lijdt aan een heftige kaasfobie. Hij verafschuwt mensen die kruimelkaas eten en vervolgens hun vingers afvegen aan hun dijen. ‘Cheesethights’ noemt hij die. De neonletters dienen dan ook om zijn angst te bezweren. Het zelfportret krijgt in deze context iets van een humoristische relativering van zichzelf en zijn werk, dat vaak is ontstaan uit ‘de noodzaak om orde te scheppen’ in zijn hoofd, een hoofd dat ‘vol verwarring, neuroses en dwanggedachten’ is. Door ons bezoekers niet alleen deelgenoot te maken van maar ook te onderwerpen aan zijn dwangneuroses appelleert Creed aan ons inlevingsvermogen. Hoe intenser de inleving, des te indringender de beleving.