STATIONS

Door Sya van 't Vlie


Lustwarande '21

In 2000 vond de eerste editie van de Lustwarande plaats: ‘Lustwarande – Pleasure Garden’. De bedoeling was dat de tentoonstelling in het sterrenbos Oude Warande elk vier jaar zou plaats vinden. Aanvankelijk ging alles volgens plan, maar de vorige editie ‘Lustwarande – Delirious’ werd in 2019 georganiseerd. En nu, twee later is daar ‘Lustwarande – Stations’. In het gidsje lees ik dat de organisatie Lustwarande-Platform for Contemporary Sculpture sinds 2015 jaarlijks tentoonstellingen in het park organiseert. Vorige jaar is vanwege corona overgeslagen, maar dit jaar kunnen bezoekers weer volop genieten van een mooi samengaan van bos en ruimtelijke kunst.

STATIONS

Bij stations denk ik aan een spoorlijn en treinen die onderweg bij een station stoppen zodat de reizigers kunnen uit- en instappen. Maar de Lustwarande tentoonstellingen hebben altijd Engelse titels. En in het Engels kun je ‘station’ ruimer interpreteren. Chris Driessen, initiatiefnemer en artistiek directeur, legt in het gidsje uit at hij eronder verstaat: ‘STATIONS verwijst naar het moment dat de kunstenaars deelnamen – in het begin van hun loopbaan, of juist later, op diverse tijdstippen in een spanne van twintig jaar, soms herhaaldelijk – en de huidige fase in hun carrière, nu ze allen mid-career en established zijn. Tegelijk verwijst de titel naar de voor de locatie zo essentiële seizoenwisselingen en naar de staties van het leven, naar het verstrijken van de tijd, naar transformatie en vergankelijkheid, en naar het voor Lustwarande en aanverwante buitenexposities zo belangrijke aspect wandelen. Waar je als wandelaar bij afzonderlijke beelden, staties op zich, halt houdt, ontvouwen zich nieuwe verhalen, die voelbaar maar niet direct aanwijsbaar onderling verbonden zijn.’
Eerst dacht is ‘ja, het zal wel.’ Maar p.m.

Start

Het startpunt van de wandeling ligt vast, bij de entree met informatiekiosk.

Al vrij snel doen bezoekers op de entreelaan het eerste station aan met de welkomstschilden van Monica Bonvicini (1965). Op de zeven rode aluminium schilden, net iets boven ooghoogte rondom de bomen bevestigd, zijn teksten te lezen. Rood is de kleur van de liefde, dus verwacht je een verwarmende tekst. Omdat de letters in een heel laag reliëf en dezelfde kleur rood zijn, moet je je inspannen om te lezen wat er staat. En dan kom je bedrogen uit. De teksten zijn alles behalve verwelkomend. ‘Why are you so unpleasant? I don’t wish you well’ en ‘I don’t like you very much and I don’t think you’re fascinating’. Bonvicini is boos op alles en iedereen. Ze heeft haar installatie in de bomen Tree of Anger (2021) genoemd. Het spannende is dat de installatie niet alleen interactief is, maar dat Bonvicini haar agressie richt op de bezoekers. Maar die laten zich niet provoceren en lopen rustig door.

Even later ontmoeten we Yawning Stones (2021) van Michel François (1956) en Douglas Eynon (1989). De eerste heeft de laatste gevraagd om samen te werken. Twee manshoge stenen staan tegenover elkaar. Op gepaste afstand, alsof ze de corona-regels in achtnemen. Ze lijken elkaar met hun gapende monden gefrustreerd toe te schreeuwen. De ene mond is gebaseerd op De Gaper (1771-1781) van Franz Xaver Messerschmidt, die bekend staat om zijn ‘gekke bekken’, een serie (zelf)portretten die hij maakte nadat hij in een mentale crisis was geraakt. De andere is afgeleid van de peul van een exotische vrucht. Het doet ook denken aan De Schreeuw (1893) van Edvard Munch. Na de boosheid van Boncivini volgt de frustratie en angst van deze twee figuren. De meeste bezoekers kunnen zich daarin in deze corona-tijd goed inleven.

Contrast

De entreelaan komt uit op de centrale cirkelvormige ‘weide’. Zo vroeg in de morgen is het daar nog rustig. Er zijn drie mogelijkheden om de route te vervolgen. De keuze voor het pad schuin naar rechts ligt voor de hand.

Al gauw ligt daar een vreemd zwart gedrocht Gonö (2021) van Gereon Krebber (1973. Gonö laat goed zien waarin een sculptuur verschilt van een schilderij. Bij de laatste sta je als kijker, ervoor staand, te kijken naar een illusoire ruimte. Met een sculptuur deel je als kijker de ruimte; je kunt eromheen lopen. Zo lijkt Gonö eerst log en ongevaarlijk. Maar er omheen lopend verandert hij in een griezel met een vieze grote tong. Het bordje waarschuwt niet voor niets ‘Aanraken op eigen risico. Niet op/in klimmen’. Bezoekers weten niet ze wat van deze amorfe blob moeten maken. Misschien heeft hij de oertijd overleefd.

Gelukkig ligt Gonö niet ver van de vrolijke vliegerboom van Navid Nuur (1976). Nuur baseerde zijn boom Untitled (2021) op zijn aquarel Watercolour uit 2003, een boom vol vliegers. Niet één maar vele vliegers zijn in de boom verstrikt geraakt. De wind is bepalend voor de beweeglijkheid, die een opbeurend contrast vormt met het niet in beweging te krijgen gedrocht van Krebber. Aardig is dat Nuur veel van de vliegers in de beuk van de Lustwarande het uiterlijk van vlinders heeft gegeven: door de takken vliegende vlinders, waar jong en oud blij van worden.

Heerlijk helder

Op naar station 9. Het pad verder aflopend vinden bezoekers wel het bordje, maar het werk van Maria Roosen (1957) is nergens te zien. Het schetsvoorstel in het gidsje biedt uitkomst. We moeten omhoog kijken. En jawel, daar hoog in de boom, staan op twee takken, twee rijen bierglazen, gevuld met bier met schuimende kraag. Als vreemde vogels op een tak. Één van de pullen is al leeg gedronken: heerlijk helder … Roosen heeft Schön hell / Delightful (2021) gemaakt van haar geliefde materiaal glas.

Grotto

Terug naar de cirkelvormige ‘weide’, waar het is daar inmiddels gezellig druk. Mensen zitten te zonnen in ligstoelen of te picknicken op een uitgespreide dekens. Ook bij Grotto zijn mensen aangeschoven voor koffie met taart of een lekkere lunch.

Je zou bijna vergeten dat Grotto ook een kunstwerk is. Ik zag het voor het eerst op de expositie ‘Stardust’, georganiseerd ter gelegenheid van de opening van het paviljoen Grotto dat vijf jaar lang dienst zou doen als café en ruimte voor kleine concerten. Het staat op het grasveld, die ik 'weide' heb genoemd, in het midden van het barokke sterrenbos daar, waar de acht hoofdpaden op uitkomen. In de huid van dit sculpturale paviljoen van Callum Morton speelt zich een barok spel van verschijnen en verdwijnen af. Overdag is het paviljoen ogenschijnlijk onzichtbaar omdat zijn spiegelende buitenkant de omgeving inclusief de bezoekers weerspiegelt. Eenmaal binnen oogt het paviljoen als een heuse grotto. ’s Avonds heft de artificiële verlichting de spiegelende werking van de buitenwand op en is door het glas de heuvel die de grot herbergt te zien.

Inloopsculptuur en inloopschilderij

Niet ver van Grotto staat een lang, strak, hermetisch gesloten multiplex sculptuurbouwsel. Of architectonische sculptuur lijkt meer op zijn plaats. Het heeft geen ramen, maar dan ontdekken we wel een deur, die we pas om 11.00 uur kunnen openen. Kortom, Nocturnal Reading (2021) van Marien Schouten (1956) is een inloopsculptuur. Eenmaal binnen blijkt het twee kamers te hebben, de zitkamer is iets gekanteld ten opzichte van de slaapkamer. In beide kamers staan multiplex meubelachtige objecten. In de zitkamer een luie stoel, buffet en een tafel, in de slaapkamer een bed. Ze zijn te spartaans en steriel om te gebruiken en dienen uitsluitend om te suggereren dat het om een woonruimte gaat. De enige persoonlijke ‘touches’ zijn de groene keramieken sculptuur – een versie van Beeld met stammen? – en een aquarel die in de zitkamer tegen de muur staat. De titel wijst op de slapeloosheid waar Schouten mee te kampen heeft; tijdens die slapeloze nachten doodt hij de tijd met lezen.

De vergelijking met Grotto dringt zich op. De laatste is een functioneel kunstwerk. Een inloopsculptuur die wordt gebruikt als café. Nocturnal Reading is en blijft een artistieke inloopsculptuur. En natuurlijk dringt zich nog een vergelijking op, waarvoor we moeten overstappen op een trein die stopt op een station buiten de Oude Warande: De Groene Kamer/Slang (2001-02) in museum De Pont. Marien Schouten is in de jaren ’80 begonnen als schilder en ging begin jaren ’90 over op ruimtelijk werk. Die stap leidde uiteindelijke tot architecturale interventies, om zich begin deze eeuw te gaan toeleggen op keramiek. Voor De Pont heeft Schouten het werk gerealiseerd dat deze overgang van architectuurinterventie naar keramiek van markeert: De Groene Kamer/Slang. Schouten heeft een van de wolhokken bekleed met groene keramieken tegels. Omdat de interventie locatiegebonden is, is De Groene Kamer/Slang niet aan te merken als inloopsculptuur. De bekleding met bedekt zowel de wanden als het plafond, waardoor de kijker zich in een groen schilderij waant. Gewoonlijk dient een tegelwand als decoratie, maar hier bepalen ze de ruimte. De tegels hangen in horizontale banen, in een verspringend verband, waarbij de onderrand over de tegels van de onderliggende baan zijn geplaatst. Dat resulteert in een schubbenpatroon, dat doet denken aan de schubbenhuid van een slang, vandaar de toevoeging ‘Slang’ aan de titel. In de hoeken zijn kromme tegels gebruikt. Binnen de ordening en het strakke ritme word je als kijker langzaam de nuances in het groen gewaar. Die zorgen voor een zekere dynamiek, die weer associaties oproept met de beweging van een slang.

In de ruimte staat op een sokkel het keramieken Beeld met stammen (2003). Een grote amorfe kop die rust op vier kronkelige stammetjes, geglazuurd in hetzelfde groen als de wanden en het plafond. Kijker en beeld staan samen in een ‘inloopschilderij’

Gevangen meubels

Terug naar het volgende station van Lustwarande: Das Beste Zimmer (2021) van Thomas Rentmeister (1964), dat enkele meters van Schoutens Nocturnal Reading in het bos staat.

Het bestaat uit een rasterconstructie van betonmatten ter grootte van een kamer. De constructie lijkt op een kooi. In die kooi zweven in kleinere kooien, stukken van houten meubels die vanuit de verte op mishandelde dieren lijken. Van dichtbij zien we dat de meubels zijn vernield, in stukken geslagen. Linda Koke merkt in haar recensie op dat de plaatsing van Rentmeisters werk op slechts enkele meters van Schoutens werk niet toevallig is: ‘waar Schouten een vrijwel lege kamer presenteert, toont Rentmeister een kamerachtige constructie zonder muren, vloeren en zelfs zonder zwaartekracht. Schoutens meubels staan er puur om de functie aan te duiden, terwijl Rentmeisters werk juist alleen de esthetiek van de meubels toont die van hun oorspronkelijke functie ontdaan zijn. Waar Schouten alleen een lege architectonische ruimte presenteert, geeft Rentmeister juist enkel de invulling van een ruimte. Ook is het interessant hoe deze twee werken zich niet alleen tot elkaar verhouden, maar ook tot de bosrijke omgeving. Zowel Rentmeister als Schouten lijken ons vragen te stellen over binnen versus buiten, over vorm versus functie en over onze omgang met ruimte.’

Franse vijver

Ugo Rondinone (1964) heeft de Franse vijver toebedeeld gekregen, de mooiste plek van het sterrenbos. Aan beide korte zijden van de langwerpige vijver bevinden zich houten vlonders met op elk een zitbankje waarop bezoekers kunnen plaatsnemen om te genieten van het met waterlelies bedekte water.

Rondinone heeft de twee vlonders met hun bankje ingepakt, de ene met zilverfolie, de andere met goudfolie. Hij gaf zijn interventie de titel the sun and the moon (2021). Daarmee verwijst hij naar de fabel over de onmogelijke liefde tussen de zon en de maan. In het gidsje lees ik: ‘De zon was smoorverliefd op de maan, maar zag telkens maar een glimp van haar als hij onderging en zij opkwam. Hij voelde zich eenzaam en stelde het ondergaan steeds langer uit. De maan verbood het hem, dit was nu eenmaal hun lot. Wel liet ze vanaf dat moment de zon elke ochtend begroeten door de morgenster, en elke avond door de avondster (beide Venus)’.
Eerlijk gezegd viel the sun and the moon me tegen. Ter plekke dacht ik dat een drijvend kunstwerk in de vijver gewoon leuker was. Zoals Not yet my Story van Vincent Olinet in 2008 of Braamboot van Maria Roosen in 2009. Maar thuis mijn foto's vergelijkend met die van Gert Jan van Rooij op internet, zag ik wat er aan schortte. Op zijn foto's heeft the sun and the moon een soort onaantastbare maagdelijkheid, die wordt bezoedeld zodra er bezoekers op de vlonders staan of op de bankjes zitten. De interactiviteit met de bezoekers gaat ten koste van het effect. Kortom, the sun and the moon is interactief, terwijl het dat niet zou moeten zijn.

Veldschrijn/Altaar

In het laatste vierkant van het bos staat Yet Untitled (2020-21) van Mark Manders (1968) Het kistje op sokkel heeft iets van een altaar of veldschrijn zoals je wel tegenkomt in Limburg. Die opstelling zorgt ervoor dat je anders dan bij Krebbers Gonö geneigd bent het beeld alleen ervoor staand te bekijken, wat bevorderlijk is voor contemplatie en bezinning. In het nisje staat een bronzen vrouwenbuste. Het hoofd van de vrouw is doorkliefd door een plankje. Bij nader beschouwing valt op dat de buste bestaat uit twee tegen elkaar geplakte delen; het middelste deel ontbreekt, zodat ze extra smal is. Bijna Giacometti-achtig smal. De buste is in klei gemodelleerd en daarna in brons gegoten. Bijzonder is dat de schijnbaar houten nis en de schijnbaar cortenstalen sokkel ook in brons zijn gegoten. ‘Niets is wat het lijkt bij Manders, maar alles kan zijn wat de toeschouwer wil dat het is’, concludeert de auteur van de beeldbeschrijving in het gidsje.

Affect

Tom Claassen doet aan ‘Stations’ mee met twee beelden: Beanship (2021) en Zonder titel, Jo, Standing rabbit (2019). Ik vind het nieuwe Beanship een on-Claassen-achtig glad gepolijst messing beeld op sokkel. Gebaseerd op een bovenbeen en bekken wordt het verondersteld een erotische connotatie te bezitten. Ik zie en voel er niets bij. Dat is anders met het konijn Jo. Hij is wel typisch Claassen: een humorvolle, geabstraheerde diersculptuur. Zonder ogen, zonder snuit en met een bobbel als staart, is hij met zijn lange oren, zittend op zijn achterpoten onmiskenbaar een konijn. Vergeleken bij Claassens gewoonlijk grote diersculpturen is hij klein. Zeker in het grote boze bos. Dat werkt vertederend. Een foto van Gert Jan van Rooij laat dat goed zien. Om contact met hem te maken of hem te fotograferen moeten we op onze hurken gaan zitten, zodat hij niet bang wegvlucht.

Iets dergelijks gebeurt met het worstenmannetje van Erwin Wurm (1954). Hij behoort tot de serie Abstract Sculptures (2018), hilarische sculpturen met lichamen, armen en benen van worstjes, die allerlei herkenbare poses aannemen. Dit worstenmannetje heeft iets uitdagends van ‘kom maar op’. Onweerstaanbaar, ik kon niet anders dan die uitdaging aannemen, ik moest en zou met hem op de foto. Natuurlijk heeft Wurm niet voor niets voor worstjes gekozen, hij beschouwt worst als het voedselicoon van de Duitstalige landen. Tot de dag van vandaag associeert hij worst met de maatschappelijke normen van zijn kinderjaren in Oostenrijk.

De reacties van de bezoekers op Jo en de mijne op het worstenmannetje zijn voorbeelden van uitgelokt affect, één van de manieren waarop kunstenaars proberen reacties van de kijker uit te lokken, zowel gewenste als ongewenste reacties, en soms zelfs reacties die ze niet hebben voorzien. Monica Bonvicini deed dat met haar Tree of Anger ook. Zij was niet uit op vertedering, maar op boosheid en agressie.

Slim

Waar op eerdere edities van Lustwarande 20-25 ruimtelijke werken te zien waren, telt ‘STATIONS’ maar twaalf beelden en installaties. Weinig voor een gerenommeerde buitenexpositie. Chris Driessen heeft iets slims bedacht om dat ‘tekort’ goed te maken. In het gidsje heeft hij foto’s opgenomen van bijdragen van de deelnemende kunstenaars aan eerdere edities van Lustwarande. ‘Down memory lane’ doet hij een vijftiental stations van weleer aan. Voor bezoekers die de vorige edities niet hebben gezien, werkt het niet echt. De fotootjes zijn te klein. Maar voor mij die sinds 2004 alle edities, met uitzondering van die van 2016 heeft gezien en sommige zelfs gerecenseerd, werkte het wonderwel. Veel van die werken kon ik me voor de geest halen.

Down memory lane

Drie werken werpen een nader licht op de bijdragen van hun makers aan 'STATIONS'.

Omdat ik enigszins teleurgesteld was door the sun and the moon van Ugo Rondinone – de fabel sprak me meer aan dan zijn interventie aan beide zijden van de vijver –, begin ik met hem. Zoals gezegd had mijn teleurstelling te maken met interactiviteit. Met Pagan Void deed Rondinone in 2009 een interventie in het bos, die ik toen in 'Beelden' bestempelde als 'de enige echte verrassing' van ‘Stardust’. Tussen een aantal geometrisch ten opzichte van elkaar staande bomen had Rondinone op bruine bladeren een rechthoekig tapijt gelegd van fluorescerend geel geschilderde kiezels. Uiteraard mochten bezoekers dat tapijt niet betreden, zodat het beoogde effect niet verloren zou gaan. ‘Hij heeft een leeg veld de kleur en straling van de zon gegeven, zodat zijn tapijt oplicht tussen de bomen. Als de zon door de bladeren schijnt zie ik op het tapijt een beweeglijk spel van licht en schaduw; ik ervaar de bezieling van de plek waarvoor Pagan Void opeens een heel toepasselijke titel is. Anders dan Morton die Grotto letterlijk van een gelaagde huid heeft voorzien, is Rondinone erin geslaagd zijn visueel oplichtende tapijtlaag van kiezels nog een extra gelaagdheid mee te geven die niet zichtbaar maar wel voelbaar is.’

Dat Maria Roosen niet alleen met humor een boom weet te verfraaien, liet ze in 2004 zien met haar bijdrage aan ‘Disorientation by Beauty’. Het ondeugende Jean, Pierre et Claude (2004) is bepaald gedurfd. Over dit werk schreef ik indertijd: ‘Roosen maakt graag glazen objecten die worden geassocieerd met erotiek. Vroeger waren dat muilen, kannen en borsten, zachte vrouwelijke vormen, gestold tot hard glanzend glas, dat door de kleur en de associatie van glas met breekbaarheid zijn hardheid enigszins verloor. Maar die zomer waren het penissen, drie erecties van Jan, Piet en Klaas, namen die in het Frans veel verleidelijker klinken. Ze zijn roze met een zweem van blauw, waardoor die tegenstrijdige combinatie van hard en breekbaar doorslaat naar het zachte en zo in tegenspraak is met de erectie. In die tijd experimenteerde ze in haar atelier met 'orgietjes in een netje', een 'geworstel van borsten, lullen en billen' hangend in een net. Dat bracht haar op het idee de penissen in de Oude Warande op te hangen in bomen, op kruishoogte. Die presentatie verhoogt hun kwetsbaarheid nog meer. Volgens Driessen verliezen ze daardoor hun associatie met gay sex. Ze zijn 'objets de désir', waarnaar je alleen maar mag kijken, net als de appels in de boom van goed en kwaad. Hun locatie, verscholen in het bos, bleek desondanks te uitnodigend. De praktijk heeft uitgewezen dat sommige bezoekers de verleiding niet hebben kunnen weerstaan.’

Het laatste station uit het verleden dat ik aan doe is Green Room/Vault (2016), waarmee Marien Schouten meedeed aan ‘Luster - Clay in Sculpture’. Die editie van Lustwarande miste ik jammer genoeg omdat ik net een nieuwe heup had gekregen. Maar tegenwoordig behoort het tot de collectie van museum Kröller Müller waar ik het onlangs zag in het beeldenpark.
Met dit werk borduurt Schouten voort op Green Room/Snake in museum De Pont en loopt hij vooruit op Nocturnal Reading waarmee hij meedoet aan 'STATIONS'. Green Room/Vault bestaat uit een hoge groene glazen wand met afhankelijk van waar je staat, daarvoor, daarnaast of daarachter een groene keramieken sculptuur van een fabeldier. Zo midden in het bos suggereert die wand een ruimte, waarvan de omringende dennenbomen een natuurlijke 'groene kamer' maken die de kijker net zo omringt als de groen geglazuurde tegelwanden van de 'groene kamer' in het museum. Op zijn beurt is die natuurlijke ‘groene kamer’ in het bos een voorganger van Nocturnal Reading dat een inloopsculptuur is, en dus een ‘echte’, architecturale ruimte. Wat de drie verbindt is de keramieken sculptuur van het fabeldier dat door exposerende instellingen nu eens wordt aangeduid als Slang en dan weer als Boom met stammen.

Conclusie

Vanwege het geringe aantal kunstwerken waren mijn verwachtingen niet al te hoog gespannen. Ik heb zelfs overwogen deze editie over te slaan. Maar ik was benieuwd naar het recente werk van de deelnemende kunstenaars. Dat trok me over de streep. En daarvan heb ik geen spijt, integendeel de tocht langs de stations, waaronder een drietal uit het verleden, heb ik als een verrijking ervaren. Alle werken waren de moeite waard. Niet alleen omdat ze leuk, mooi of spannend waren, maar ook omdat Chris Driessen erin is geslaagd om met zijn selectie te focussen op veel facetten van de sculptuur en het ervaren van ruimtelijke kunst. Zelfs voor mij als liefhebber van crossovers een voldoening gevende ervaring.

Bronnen:
Chris Driessen e.a. – Bezoekersgidsje ‘STATIONS’
Linda Koke – ‘Lustwarande 2021 – een stoptrein langs sculpturen’, in: Metropolis M, 27-09-2021
Sya van ’t Vlie – ‘Lustwarande ’04', in: Beelden #4, 2004
Sya van ’t Vlie – ‘Grotto/Stardust’, in Beelden #3, 2009