Pjotr Müller

Door Sya van 't Vlie


Sculptuurbouwsels, follies en minimusea

Binnen het domein van de crossovers tussen sculptuur en architectuur maakt Pjotr Müller een spannende ontwikkeling door. Hij begint met het maken van ontoegankelijke sculptuurbouwsels, daarna volgen tijdelijke of permanente inloopsculpturen, zoals follies en minimusea.

Sculptuurbouwsels

Voor sculptuurbouwsels geldt dat niet-architectuur en sculptuur samenvallen. Ze hebben het uiterlijk maar niet de functie van architectuur en zijn daarom niet-architectuur. Hun in verhouding tot architectuur kleine formaat benadrukt het niet-architecturale, en daarmee het (wel-)sculpturale.
Wim van der Beek verduidelijkt het bovenstaande als hij Pjotr Müller (1947), de maker van sculptuurbouwsels bij uitstek, een beeldenbouwer noemt. Dat betekent namelijk niet dat Müllers bouwsels zijn op te vatten als functionele abri’s, utiliteitsgebouwtjes, schuilplekken of meditatieplaatsen. Het zijn beelden. Wie er een afgeleide vorm van architectuur in ziet doet de beeldhouwer tekort. Müllers sculptuurbouwsels zijn functieloos. Ze zijn geconcipiëerd als vervreemdende beeldelementen en zijn meestal gemaakt voor een specifieke locatie. Het bouwen van beelden impliceert het denken in vormen. Daardoor kan Müller zich inconsequenties en eigenzinnigheden veroorloven die voor architecten taboe zijn.

Begin jaren tachtig maakte Müller ontoegankelijke en gesloten iglo-achitge hutten zoals Cabane (1980) in het Amstelpark te Amsterdam. Cabane is opgebouwd uit nauwelijks bewerkte blokken hardsteen, die zijn gestapeld in een onregelmatig cyclopenverband, dat wil zeggen dat de stenen zo zijn gestapeld dat ze zonder cement op en naast elkaar passen. Cabane loopt naar boven taps toe en is gesloten. Ook voor de zwart granieten Nuraghe (1983) in de beeldentuin van Kröller-Müller Museum koos Müller een cyclopenverband. Maar door de hechtere aansluiting tussen de stenen is het nog hermetischer gesloten. Na de bouw heeft Müller Nuraghe geolied, waaraan het zijn matglanzende huid te danken heeft. Die huid is doortekend met de naden tussen de stenen. Net als Cabane loopt Nuraghe ook taps toe, maar zonder de gesloten punt, Nuraghe is van boven open gelaten. Door hun ontoegankelijkheid blijft de kijker bij Cabane en Nuraghe beschouwer. Van echte deelname is geen sprake. De interactiviteit beperkt zich tot een zekere frustatie geen deelgenoot te worden van het mysterie waarvan je als kijker vermoedt dat het zich binnenin bevindt.

Follies

Vanaf 1983 bouwde Müller vervolgens op diverse plekken in Nederland follies, nutteloze bouwsels zoals die welke de Engelse adel in de achttiende eeuw ter verfraaiing in hun tuinen liet verrijzen. Müllers tempelachtige follies zijn meestal opgebouwd uit sloophout, zoals Kathedraal (1987) in Erica en de serie van tien uit 1991 in Diepenheim. De maat van de follies is toegesneden op één persoon en vergankelijkheid is een belangrijke eigenschap. ‘Door het onuitputtelijke bouwen en breken, komen en gaan, ontstaan en verdwijnen, ontneemt Müller ons de illusie dat we ergens grip op hebben, iets voor eeuwig kunnen bewaren of ook zelf kunnen blijven voortbestaan’, aldus Stan Petrusa. De bouwsels in Diepenheim kwamen met medewerking van de inwoners en studenten van de AKI (Academie voor Beeldende Kunsten te Enschede) tot stand, in tuinen en groenstroken van de gemeente. De sloophouten follies doen denken aan tempeltjes, tuinhuisjes, schuurtjes en hutten en sommige boden onderdak aan keramieken vazen van Müller. Desondanks zijn ze a-functioneel: het zijn geen ruimtes om fietsen of tuinmeubilair in op te bergen, zelfs geen onderkomens voor wijsgerige of religieuze bespiegeling. Het zijn sculpturale markeringen van de ruimte.
Nimis (1989) in het Beatrixpark te Almere is vervaardigd uit graniet en dus wel een eeuwig bestaan toegedacht. Maar staand op een dichtbegroeid eiland in de kreek die door het park loopt, is het onbereikbaar. Deze folly houdt het midden tussen een tempelachtige loggia en een prieeltje. Müller bouwde Nimis niet zelf maar besteedde de uitvoering uit aan het granietbedrijf waarnaar het is genoemd. Vandaar de on-Mülleriaanse perfectie. Jaap Goedegebuure vindt dat het door zijn geïsoleerde ligging onaantastbaarheid, autonomie en geheimzinnigheid uitstraalt. De klassieke vormen, die prachtig door het water worden weerspiegeld, laten zien dat het primitieve van de hutten heeft plaatsgemaakt voor een zeker mate van classicering.

Minimusea

Na zijn sculptuurbouwsels en follies, maakt Pjotr Müller inloopsculpturen die je zou kunnen bestempelen als ‘minimusea’. Een van de eerste was De Tuin van Pjotr Müller bij De Pont in 1994-95. Museum De Pont in Tilburg beschouwt hun tuin als een buitenzaal. Die stelt het museum telkens voor twee jaar ter beschikking aan een kunstenaar. Vanaf november 1994 was dat Pjotr Müller. In twee maanden bouwde hij met enkele trouwe medewerkers De Tuin van Pjotr Müller, een gangenstelsel van vijf geschakelde segmenten, waarin honderden meters sloophout en duizenden spijkers zijn gaan zitten. Het gaat in dit zeventig meter lange labyrintische werk om de tocht die de bezoeker aflegt. De overgang van het ene naar het andere segment wordt gemaakt via een abrupte niet-haakse hoek die steeds een glimp van de buitenwereld toelaat. De openingen bieden geen overzicht over de wereld buiten, maar omkaderen een uitzicht. Voor de laatste ruimte bestaat een mogelijkheid de gang door het labyrint te onderbreken en het grasveld te betreden. Maar wie zijn tocht vervolgt, komt uit in de vierkante schacht waar hij niet een illusionaire hemel van een plafondschildering boven zich vindt, maar de werkelijke hemel, stark blauw, grijs of met enkele wolken. Müller trakteert de bezoeker op een individuele tocht die hij op eigen wijze ervaart: Müllers tuin verandert voor de bezoeker in 'mijn tuin'.

Eenmansmusea en museum P.M.

In de zomer van 1995 plaatste Müller drie eenmansmusea in de Beurs van Berlage in Amsterdam, die in 1996 doorreisden naar de ‘Van Berkelzaal’ van het Rijksmuseum Twenthe. Eenvoudige, ongedecoreerde constructies, opgetrokken uit geplamuurd hout. De bezoeker kon zich erin terugtrekken, zich afzonderen van de andere bezoekers. Hij kon lopen door de nauwe gangetjes of even plaatsnemen op een bankje in het centrum van het museumpje. Lisette Pelser noemt deze eenmansmusea een even speelse als serieuze kritiek op de storende aanwezigheid van andere bezoekers in een weidse en overzichtelijke museumzaal, die het onmogelijk maakt om even alleen te zijn met een kunstwerk .
In de zomer van 2000 is Müller terug in de ‘Van Berkelzaal’ met een museum dat die mogelijkheid wel biedt. Zijn museum van sloophout neemt de hele zaal in beslag en maakt deze onzichtbaar. Müller handhaaft alleen de vier toegangen. In zijn museum creëert hij diagonalen en niveauverschillen. De maatvoering is gebaseerd op de getallenreeksen van de Oostenrijks-Amerikaanse architect Rudolf M. Schindler.
De weidsheid van de zaal is vervangen door een labyrint met schaars verlichte gangen, waarin de bezoeker zich al snel niet meer kan oriënteren. De gangen openen zich hier en daar in onverwachte nissen en kabinetten, die zijn ontworpen als entourage voor enkele kunstwerken van door Müller gewaardeerde collega-kunstenaars. De tekeningen van Frank van den Broeck en de fotowerken van Ulay hangen elk in een eigen nis of kabinet en zijn maar door één persoon tegelijk te bekijken. Verder wijken de wanden naar achteren, waardoor de bezoeker er niet tegenaan kan leunen. De beelden van Veron Urdarianu en Adam Colton zijn geplaatst als in de binnenruimte van een tempel. Het in aluminium gegoten en gladgepolijste Blob + Bone (1999) van Colton staat op een sokkel; De Verleider van Urdarianu staat op een podium dat deel uitmaakt van een trappartij.
Met Museum P.M. maakt Müller voor het eerst een werk dat dienstbaar is, en wel aan de door hem geselecteerde kunstwerken. Daarom draagt de installatie wel zijn signatuur, maar bescheiden, met slechts zijn initialen.

Het Huis van Dr. Jung

Op zijn 18e las Müller het boek 'Herinneringen, dromen en gedachten van de psychoanalyticus Carl Jung'. Jung beschfijft daarin een droom waarin hij in een Zwitsers huis van de zolder afdaalt naar de kelder. Naar beneden gaand doorloopt hij verschillende periodes uit de kunstgeschiedenis. Boven op zolder treft hij hedendaagse, positieve godenbeelden, in de kelder primitieve beelden uit het onderbewuste, vol ‘banaliteiten’ uit onze vroegste tijd. Dit huis en die beelden realiseren is sindsdien een project waarvan Müller droomde, tot 2007. In 2003 had hij even genoeg van het maken van sculptuurbouwsels en minimusea en begon hij met het modelleren en construeren van figuratieve beelden, waarvan hij er een aantal presenteerde als De droom van Jung op de Kunstrai van 2006 in de stand van galerie Phoebus. Het waren assemblages van beeldfragmenten en alledaagse objecten als krukje, stoel en zelfs een paraplu. Maak je eigen God, De hand van de maker, en Het laatste maal van Diana waren bedoeld voor de zolder van het huis. In 2007 was het zover: In het beukenbos van het Kröller-Müller Museum bouwde Müller Het Huis van Dr. Jung. Het is een gesloten bouwwerk van drie schuin op elkaar gestapelde blokken, de drie verdiepingen met verschillende kamers. Het gebouw is bedekt met grijsgroen dakleer, dat enigszins detoneert met de omgeving. Zo richt Müller de aandacht van de bezoekers op het binnenste. Wouter Welling beschrijft de gang door het huis als volgt: 'Op de begane grond voeren smalle gangen langs de beelden, die zich in kamers achter traliewerk bevinden.[...] Via een smalle trap bereikt de bezoeker de eerste verdieping met een kamer waarin zich een beeldconglomoraat bevindt met een sphinx-achtige figuur, half leeuw, halfmens, een vrouwentorso en hoofden. Op de bovenste verdieping komt hij bij een eigenaardige beeldengroep van twee uitrustende geliefden na een innige omhelzing. Zij heeft hem op haar schoot, beiden glimlachen verzaligd. Zijn voet steunt op de onderkant van een miniatuurvariant op het bouwwerk waarin ze zich bevinden. Een gipsen bouwsel met veel trappen.'

'Axiomatic structures' of juist niet?

De Tuin van Pjotr Müller, eenmansmuseumpjes en museum P.M. doen denken aan de corridor-werken van Bruce Nauman. Vanwege hun desoriënterende werking zijn ze ‘axiomatic structures’, ook al heeft Müller een hele andere bedoeling dan Nauman. Het eenmansmuseum beoogt geen claustrofobische ervaring, een ervan is van boven zelfs open. Het doel is dat de individuele bezoeker zich even kan afzonderen van de overige bezoekers, even alleen kan zijn met het kunstwerk. Hoewel het eenmansmuseum vraagt om participatie, is het tegelijkertijd een aanval op de publieke subject/object status van de bezoeker en het opgaan van de bezoeker in het kunstwerk. In De tuin van Pjotr Müller en het museum P.M. werkt Müller die aanval verder uit. In de tuin mondt de tocht door het labyrint uit bij een natuurlijke plafondschildering. In het museum P.M. creëert hij plekken waar de bezoeker in afzondering van andere bezoekers de kunstwerken van zijn collega’s kan bekijken, weer kijker wordt. Hij gebruikt eigenschappen van de ‘axiomatic structure’ zoals desoriëntatie, ontregeling om andere eigenschappen ervan te ondermijnen. Hij deelt de bezoeker eerst een slag toe om hem te verwarren, om hem vervolgens te belonen met een slag die misschien nog wel harder aankomt: het ‘ouderwetse’ bekijken van een kunstwerk.

Meer over 'axiomatic structures' en de corridor-werken van Bruce Nauman, leest u in 'Theatraliteit, interactiviteit en 'experience design''
Bronnen
Jaap Goedegebuure - 'Begrenzing en Openheid (in catalogus 'De tuin van Pjotr Müller)
Lisette Pelsers - 'P.M. Pjotr Müller - Constructie van sloophout met werken van Frank van den Broeck, Ulay, Adam Colton en Veron Urdarianu'
Marente Bloemheuvel - 'Pjotr Müller' in bestandscatalogus van 'Beeldentuin Kröller-Müller Museum'
Wouter Welling - 'De mythe van Müller'