Voorbeeld Mario Merz

Door Sya van 't Vlie


Het voorbeeld van Mario Merz

In de jaren ’60 resulteerden de verkenningen van de sculptuur in de richting van het landschap en de architectuur onder meer tot het ontstaan van de landart. Maar er gebeurde meer. Italië beleefde de opkomst van de 'arte povera', wat letterlijk ‘armoedige kunst’ betekent. De 'arte povera' was het Europese antwoord op het minimalisme dat vanuit Amerika opmars maakte in Europa. Net als het minimalisme zette de 'arte povera' zich af tegen de pop art, en haar Europese variant het 'nouveau réalisme'. Niet met industrieel ogende objecten, maar met werken gemaakt van povere materialen zoals sprokkelhout, zand, stenen, vodden, stro en oud papier. Inhoudelijk waren minimalisten als Mario Merz, Iannis Kounellis en Guiseppe Penone allesbehalve pover, want ze grepen terug de rijke culturele traditie van Italië. De term ‘arte povera’ komt van de titel van de expositie waarin Germano Celant voor het eerst deze gelijkgestemde kunstenaars bijeenbracht, die zich aanvankelijk als groep presenteerden.

De iglo's van Mario Merz

Mario Merz (1925-2003) wordt beschouwd als de nestor van de ‘arte povera’. Net als zijn collega kunstenaars ging hij op zoek naar het vergeten verleden. Hij is vooral bekend om zijn iglo’s. Voor Merz is de iglo het archetypische huis, een nomadenbehuizing, oervorm van beschutting, utopische plek. De iglo staat voor de trekkende mens. Vrijwel elke iglo bestaat uit een metalen karkas in de vorm van een halve bol. Die bedekte hij met allerlei soorten materialen, eerst gaas met daaroverheen jute, leem, aarde, was of folie, of later met duurzame materialen als leisteen of glas.
De eerste iglo die Mario Merz in de buitenlucht toonde was Igloo con il ruscello. Hij presenteerde hem op Documenta 7 van Rudi Fuchs in Kassel in het jaar 1982. Hij plaatste de iglo met leistenen dakbedekking over het riviertje de Kleine Fulda. Vandaar de titel, die ‘Iglo met de beek’ betekent. Deze iglo werd aangekocht door Rudi Oxenaar, de voormalige directeur van het Kröller Müller Museum, en prijkt nu als Igloo di pietro in de beeldentuin van het museum.
Voor Merz geldt de iglo als de meest plastische verbeelding van de Fibonacci reeks, de oneindige getallenreeks die ontstaat door het optellen van de laatste twee getallen (0,1,1,2,3,5,8,13, …). De reeks komt veel voor in de natuur, bijvoorbeeld in de spiraal van de nautilusschelp, dennenappels, wervelwinden en dergeljke. Die spiraalvorm ontstaat ook bij het bedekken van de iglo’s met kleine elementen boven die naar onderen toe steeds groter worden.
Op ArtZuid 2013 had curator Henk van Os een groep van iglo's van Merz geselecteerd. Het bijzondere van '74 gradini riappaiono en un crescita di geometria concentrica (1992, 74 stappen die opnieuw verschijnen in een geometrische concentrische groeivorm) is dat het karkas onbedekt is gelaten. De installatie heeft iets weg van een compound. Uit de stenen fundamenten steken de kale betonijzeren sprieten, die prachtig in roestkleur zijn geöxideerd.

Pjotr Müller - sculptuurbouwsels

In navolging van Merz begonnen Nederlandse beeldhouwers eind jaren ‘70 ‘sculptuurbouwsels’ maken. Voor sculptuurbouwsels geldt dat niet-architectuur en sculptuur samenvallen. Ze hebben het uiterlijk maar niet de functie van architectuur en zijn daarom niet-architectuur. Hun in verhouding tot architectuur kleine formaat benadrukt het niet-architecturale, en daarmee het (wel-)sculpturale.
Wim van der Beek verduidelijkt het bovenstaande als hij Pjotr Müller (1947), de maker van sculptuurbouwsels bij uitstek, een beeldenbouwer noemt. Wie in de sculptuurbouwsels een afgeleide vorm van architectuur ziet doet de beeldhouwer tekort. Müllers sculptuurbouwsels zijn functieloos. Ze zijn geconcipiëerd als vervreemdende beeldelementen en zijn meestal gemaakt voor een specifieke locatie. Het bouwen van beelden impliceert het denken in vormen. Daardoor kan Müller zich inconsequenties en eigenzinnigheden veroorloven die voor architecten taboe zijn.

Begin jaren tachtig maakte Müller ontoegankelijke en gesloten iglo-achitge hutten zoals Cabane (1980) in het Amstelpark te Amsterdam. Cabane is opgebouwd uit nauwelijks bewerkte blokken hardsteen, die zijn gestapeld in een onregelmatig cyclopenverband, dat wil zeggen dat de stenen zo zijn gestapeld dat ze zonder cement op en naast elkaar passen. Cabane loopt naar boven taps toe en is gesloten. Ook voor de zwart granieten Nuraghe (1983) in de beeldentuin van Museum Kröller Müller koos Müller een cyclopenverband. Maar door de hechtere aansluiting tussen de stenen is het nog hermetischer gesloten. Na de 'bouw' heeft Müller Nuraghe geolied, waaraan het zijn matglanzende huid te danken heeft. Die huid is doortekend met de naden tussen de stenen. Net als Cabane loopt Nuraghe ook taps toe, maar zonder gesloten punt, Nuraghe is van boven open gelaten. Door hun ontoegankelijkheid blijft de kijker bij Cabane en Nuraghe beschouwer. Van echte deelname is geen sprake. De interactiviteit beperkt zich tot een zekere frustatie geen deelgenoot te worden van het mysterie waarvan je als kijker vermoedt dat het zich binnenin bevindt.

Cornelius Rogge - tentsculpturen

Een heel bijzonder type sculptuurbouwsels zijn de tentsculpturen van Cornelius Rogge (1932).

Cornelius Rogge laat zijn werk meerdere malen een cyclus van object naar wandobject naar architecturaal object doorlopen, die de spin-off is van wat Rogge-kenners aanduiden als de metamorfose die zich voortdurend in zijn werk voltrekt. Zo ontwikkelden de roestbruine canvas tenten die midden jaren ’70 ontstaan, zich uit aan de wand hangende canvas zakken. Vanaf de zomer van 1975 waren zeven van die tenten in de tuin van het Rijksmuseum Kröller Müller te zien. Ze leken op gewone tenten, maar bij nadere beschouwing hadden ze de ongewone vormen van trappenpyramide, afgeknotte pyramide of kegel. Ook de scheerlijnen waren niet louter functioneel. De tenten stonden verankerd in de aarde; de scheerlijnen, los van de huid, visualiseren deze gebondenheid aan de aarde, grafisch. Alle tenten waren ontoegankelijk. Wat zich binnen afspeelt werd aan het zicht onttrokken. Daarentegen zijn de veranderingen die zich langzaam aan de buitenkant voltrokken wel zichtbaar. Buiten stonden de tenten bloot aan het natuurgebeuren: volgroeien van de terrassen, aantasting en verrotting. Rogges tentsculpturen waren vergankelijk, dit in tegenstelling tot de onsterfelijkheid van alle andere beelden die toen in de tuin van Kröller Müller te zien waren.
De toeschouwer wordt niet toegelaten tot het mysterie binnen. Zelfs Rogge weet niet wat er binnen gebeurt. De tenten dienen als bescherming van het kwetsbare metafysische, dat in de duisternis wordt bewaard. Wat binnenin zat, bracht Rogge in een volgende fase naar buiten: ‘Ik heb de tenten binnenste buiten gekeerd. De ruimtelijke vorm bleef dezelfde, alleen de binnenvoering werd herkenbaar. Maar de duisternis was nu naar buiten getreden en het licht zat binnen. Daarmee trad tegelijkertijd de ontbinding op. Vervolgens klapte de beeldhouwer de tenten uit, alle zijden naast elkaar terugbrengend tot een tweedimensionaal object. Een desintegratie die alleen het omhulsel of delen ervan overlaat: ‘de inhoud is tot idee geworden’.

In 2000 werden de tenten opnieuw opgebouwd in de tuin van Kröller Müller, waarin vergankelijke beelden inmiddels niets nieuws meer zijn. Desondanks hebben de tenten nog steeds het door Rogge beoogde effect. Net als de hermetische sculptuurbouwsels van Pjotr Müller prikkelen ze het verlangen om het onkenbare te kennen.

Inloopsculpturen

Waren de sculptuurbouwsels en tentsculpturen ontoegankelijk, in een volgende fase gaan beeldend kunstenaars over tot het maken van inoopsculpturen, die wel toegankelijk zijn. Bij Pjotr Müller is die ontwikkeling goed te volgen (zie 'Pjotr Müller - sculptuurbouwsels, follies en minimusea'). Onder de makers van inloopsculpturen valt Atelier van Lieshout (AVL) op omdat Joep van Lieshout en zijn medewerkers naast architecturale ook 'mensfiguurlijke' inloopsculpturen maken. Verder beperken ze zich niet tot niet-functionele inloopsculpturen, maar realiseren ze ook functionele ruimten zoals (bad)kamers, wc's, en caravans, en gebruiksobjecten. (zie 'AVL - niet-functioneel tegenover functioneel').

Bronnen
Marente Bloemheuvel - 'Pjotr Müller' in bestandscatalogus van 'Beeldentuin Kröller Müller Museum'
Wim van der Beek - 'De fysieke aanwezigheid van Pjotr Müller' (in Kunstbeeld 6/1996)
Wouter Welling - 'De mythe van Müller'
Rudi Oxenaar - 'De zweepslag van de metafysika'
Rogge, catalogus bij expositie Cornelius Rogge in Rijksmuseum Twenthe met teksten van Paul Hefting, Rudi Oxenaar en Lisette Pelsers