Theatraliteit

Het concept theatraliteit werd in de jaren zestig gemunt door kunsthistoricus Michael Fried. Kunstenaars begonnen gebruik te maken van het feit dat sculptuur werkelijke ruimte en werkelijke tijd deelt met de kijker door de tentoonstellingsruimte en de kijker bewust bij het kunstwerk te betrekken. Volgens Fried veranderde de kijker hierdoor in een soort co-acteur op het toneel waarvoor de sculptuur slechts diende als setting of rekwisiet. Vandaar de term theatraliteit.

Kunsthistoricus Rosalind Krauss is een andere mening toegedaan. Theatraliteit staat centraal in de herformulering van de sculpturale onderneming: wat het object is, hoe we het kennen, en wat het betekent het te kennen. Waar Fried meende dat theatraliteit de sculptuur zou ontdoen van wat uniek was voor sculptuur, is Krauss de mening toegedaan dat de sculptuur om uit te vinden wat sculptuur is of zou kunnen zijn, het theater en zijn relatie tot de context van de kijker heeft gebruikt als ‘a tool to destroy, to investigate, and to reconstruct’. Kortom, Dankzij het verlies aan mediumspecificiteit, waarvan Fried vreesde dat het het einde van de sculptuur betekende, kon de beeldhouwkunst expanderen, haar veld verruimen. Als een gevolg hiervan vervaagden de grenzen tussen de kunstdisciplines, wat uiteindelijk resulteerde in het ontstaan van de installatie.
Concluderend kan men stellen dat theatraliteit zowel een expansief als een interactief concept is.

Bronnen
Michael Fried, Art and objecthood, (1967)
Rosalind E Krauss, Passages in modern sculpture (1977)
Rosalind E. Krauss, The Originality of the Avant-Garde and Other Modernist Myths (1986)